Camiel Boomsma: „Soms was ik best verbaasd over hoeveel tekst eruit kwam, want ik ben echt een pianist, geen ‘schrijver’.”

Foto Frank Ruiter

Interview

Pianist Camiel Boomsma: ‘Componisten zijn mensen, geen buiksprekers van God’

Interview | Camiel Boomsma, pianist Antwoord verwachtte hij niet, maar hij schreef ze toch. In brieven aan zijn favoriete componisten brengt Camiel Boomsma onder woorden wat hun muziek met hem doet.

Brieven aan de meesters. De plechtig klassieke titel van het boek van pianist Camiel Boomsma voelt in het huidige tijdsgewricht van skateboardende dirigenten en tiktokkende operazangers bijna tegendraads. Maar het is geen bewust statement. Het boek dat hij schreef met brieven aan zijn meest geliefde componisten komt voort uit een diep doorvoelde innerlijke noodzaak om precies deze woorden op papier te zetten.

Dat vertelt hij met zachte en bedachtzame stem in een brasserie naast het Concertgebouw in Amsterdam. „Alle woorden, daar sta ik voor, zijn voortgevloeid uit wat ik voelde en hoe ik het wilde zeggen. Daar ben ik ergens trots op. Het is belangrijk voor de klassieke muziek dat dat het uitgangspunt blijft. Het moet echt zijn. Mensen worden geraakt door echtheid, zonder barrière, of onzuivere intenties. Het belangrijkste is dat het voortkomt uit jezelf.”

In de korte hoofdstukken, elk gewijd aan een andere componist, zoekt Camiel Boomsma (31) naar poëtische beelden om zijn muziekervaring in te vatten. Zo voelt elke bladzijde als kleine, delicate bonbon.

Het project ontstond in de coronatijd, toen hij met radiopresentator Lex Bohlmeijer onder dezelfde titel als het boek een podcast maakte over de componisten die hem gevormd hadden, maar de wortels zijn ouder. „Soms was ik best verbaasd over hoeveel tekst eruit kwam, want ik ben echt een pianist, geen ‘schrijver’. Maar ik merkte dat het voortkwam uit iets wat al langer sluimert in mijn benadering van het spelen.”

Wat is die spelbenadering?

„Ik ben iemand die heel veel nadenkt over wat een muziekstuk me zegt. Een woord kan dat nooit vervangen, maar je kan een stuk dichterbij komen dan ik dacht. Op een paar momenten ben ik heel blij met hoe dat gelukt is. In het hoofdstuk over Ravel schrijf ik bijvoorbeeld over hoe in het adagio uit het pianoconcert het orkest op een gegeven moment instapt:

Een weemoedige wals met een melodie die een ver verleden vol vreugde en leed oproept. Ravel laat de tijd stilstaan, maar ook onverbiddelijk voortbewegen. Na verloop van tijd ‘verschijnt’ het orkest, dat zich naadloos en haast geruisloos aansluit bij de pianopartij, alsof ze zegt: „je bent niet alleen.”

„Dat klopt echt heel erg met hoe ik het ervaar. Dat je met woorden zo dicht bij die muzikale ervaring komt kan mij erg ontroeren.”

Van Debussy zou ik het liefst antwoord krijgen, omdat hij op een bepaalde manier zo dicht bij onze tijd staat

Dus u bent niet teleurgesteld geraakt in de mogelijkheden van taal?

„Nee, juist niet. Maar het is zeker niet makkelijk, bij schrijven heb ik ook heel vaak gedacht: ‘Nee dat is het niet. Nee. Dat ook niet. Dat ook niet. Dat bijna. Maar dat is ook niet goed genoeg.’ En ook is het af en toe, zoals bij Beethoven, toch erg fijn als je de muziek bij de tekst kan horen. Beethoven is echt een abstractiemeester. Die late strijkkwartetten zijn het moeilijkste om te beschrijven. Dan moet je eigenlijk niet meer doen dan dat proberen te naderen, en dan gewoon de muziek opzetten.”

Waarom heeft u gekozen voor de vorm van een brief?

„Ik verwacht natuurlijk geen antwoord terug, maar wat ik het belangrijkste vond om te laten zien aan de lezer is dat je hier met mensen te maken hebt, met wie je zou kunnen praten. Het zijn wel giganten, en ze waren extreem begaafd, maar ze moesten ook een manier vinden om daarmee om te gaan. Neem bijvoorbeeld Ravel. Dat was best een aparte man. Hij had een obsessie voor kinderspeeltjes en schreef de opera L’Enfant et les Sortilèges (‘Het kind en de spreuken’). Daar had hij een buitengewoon voorstellingsvermogen voor en dat zegt wat over hem als persoon, dus in zo’n brief probeer ik dat te onderstrepen. Dat hun kunst voortkomt uit wie ze zijn als mens. Niet als buikspreker van God. Ik wil ze demystificeren zonder ze van een voetstuk te duwen. Die mystiek rondom de grote meesters is heel bijzonder, maar ik vind het bijna bijzonderder om te zien waartoe een mens in staat is.”

Lees ook de recensie van Camiel Boomsma’s album ‘Richard Wagner: Porazzi’ uit 2016

De brieven zijn vooral positief van toon, ergert u zich wel eens aan een componist?

„Soms zijn er wel dat soort momenten. Het verschilt per componist. Ik heb me in het boek bewust op het bewonderen gericht, en eerlijk gezegd erger ik me niet aan de namen in dit boek. Ik heb veel gelezen over de levens van deze componisten en dan ontdek je altijd keuzes die ze gemaakt hebben waar ik niet helemaal tevreden mee ben. Wagner is daar natuurlijk een voorbeeld van. Frustratie met de componist leeft in elke musicus. Of een hiërarchie. Natuurlijk heb ik ook binnen dit boekje favorieten.”

Van wie zou u het liefst antwoord krijgen?

„Debussy, omdat hij op een bepaalde manier zo dicht bij onze tijd staat. Ook toen waren er zo veel maatschappelijk en culturele veranderingen. Maar Satie zou ik ook wel willen spreken, die was prettig gestoord. Hij staat met allemaal reuzen als Stravinsky om zich heen, die allemaal enorme klappers componeren, en dan gaat hij kleine gekke stukjes schrijven die in eerste instantie bijna niks voorstellen. Hoe dapper ben je dan? En... Bach. De eer om zo iemand te ontmoeten. Maar ook om hem een beetje te vermenselijken. Als je over hem leest, zie je dat hij best een koppige man was. Maar in eerste instantie zou ik toch Debussy willen spreken. Of Satie. Maar toch ook Wagner.”

U weet wat ze zeggen: ‘ontmoet nooit je idool.’

Hij zucht, en lacht. „Ja in dat opzicht zou ik Wagner… Misschien is het met Wagner inderdaad beter om het te houden zoals het is.”