Recensie

Recensie Muziek

Hoe Wu-Tang Clan de onheilsstatistiek wist te verslaan

Biografie Wu-Tang Clan Waren ze nou „The Beatles of The Rolling Stones van de hiphop”, vraagt biograaf Skiz Fernando zich af over het 9-koppige rapcollectief Wu-Tang Clan. Aanvoerder RZA was zowel een muzikaal als zakelijk genie.

De Wu-Tang Clan in 1997.
De Wu-Tang Clan in 1997. Foto Bob Berg/ Getty Images)

Vanuit het huis van zijn tante liep er een zo lang mogelijk verlengsnoer omhoog, naar het stroomloze kamertje van Robbert Diggs. Het was de levensader die zijn toekomst én die van hiphop ingrijpend zou veranderen. Dankzij die afgetapte elektriciteit kon Diggs aan zijn beats sleutelen waarover hij zijn neven en schoolmaten zou laten rappen.

Het werd zijn en hun redding uit een desperaat bestaan in een van de slechtste wijken van Staten Island, New York, waar drugs en geweld de dienst uitmaakten en iedereen meezogen in een neerwaartse spiraal.

Vanuit Robbert Diggs’ kamertje groeide het negenkoppige collectief uit tot een van de succesvolste en meest invloedrijke groepen uit de rapgeschiedenis: Wu-Tang Clan. Diggs, beter bekend als RZA, was zowel als muzikaal als zakelijk het meesterbrein van de groep.

Ze kwamen van ver, schrijft de Amerikaanse hiphopkenner Skiz Fernando in een lijvige en doorwrochte biografie van ruim vijfhonderd bladzijden (inclusief dertig pagina’s voetnoten) over de „Rolling Stones of Beatles van de hiphop”. Uitvoerig schetst Fernando de „apocalyptische ellende” waarin de leden opgroeiden, omringd door criminaliteit in gebroken en armoedige gezinnen.

Dennis Coles (aka Ghostface Killah) moest bedden, broeken en zelfs lepels delen met vijftien broers, zussen, neven en nichten. Als ze ’s ochtends een pak cornflakes leegschudden, vielen er ook kakkerlakken op hun bord. In één week werd RZA’s ouderlijke woning compleet leeggestolen, hijzelf op straat belaagd (waarop zijn moeder met een slagersmes de daders wilde terugpakken) én zijn oudere broer beroofd van zijn kwartjes – op weg naar de wasserette.

Als pubers raakten clanleden verstrikt in de onvermijdelijke fuik van drugshandel: Corey Woods (Raekwon) dealt al crack op zijn vijftiende, Jason Hunter (Inspectah Deck) en Lamont Jody Hawkins (U-God) zitten dan al vast.

In hiphop ziet RZA de laatste strohalm om de uitzichtloosheid te ontvluchten. Hij weet de rest te overtuigen met een voorstel: geef me een jaar van je leven, en ik zorg dat je nooit meer hoeft te dealen. Ze sluiten zichzelf op in de studio, slapen er op de vloer, stelen noodgedwongen eten, maar stuwen elkaar naar creatieve hoogten. Dat resulteert in een revolutionair meesterwerk: Enter the Wu-Tang (36 Chambers).

De plaat uit 1993 „sloeg in als een Scud-raket”, schrijft de biograaf. Over rauwe, harde en kale beats spuugt de clan een lyrisch bombardement van furieuze lettergrepen. Catchy refreinen ontbreken. Het explosieve geluid uit de underground is „een middelvinger naar de muziekindustrie”.

De Wu-Tang Clan: Ghostface Killah (links), Masta Killa, Raekwon, RZA, Ol’ Dirty Bastard, GZA, U-God and Method Man (1997).

Foto Bob Berg/ Getty Images)

Tongen als zwaarden

Conceptueel is de groep ijzersterk. De negen persoonlijkheden – van de wijze huisfilosoof GZA (Gary Grice) tot dronken lor Ol’ Dirty Bastard (Russell Jones) – mengen in verbale afranselingen hun liefde voor kungfu-films, oosterse filosofie en de lessen van de zogeheten Five Percent Nation (de beweging uit Amerikaanse voorsteden die geloofde in de goddelijkheid van de zwarte man). Terwijl op de achtergrond rake karateklappen klinken uit de film Shaolin vs. Wu-Tang (1983), een cultklassieker over twee rivaliserende kungfu-scholen waarnaar de clan zich heeft vernoemd, doen de rappers zich voor als krijgers die in plaats van zwaarden hun vlijmscherpe tongen gebruiken om de concurrentie te onthoofden.

Om de poëtische kracht en het muzikaal vernuft aan te tonen, ontleedt Fernando in zijn boek het oeuvre tot in het kleinste detail. RZA blijkt uit de meest onwaarschijnlijke uithoeken van de muziekhistorie samples te hebben gesprokkeld: van één enkele, drastisch vertraagde lettergreep uit een vergeten soulkraker, tot een sonate van Beethoven, ‘Ne me quitte pas’ van Jacques Brel of een snipper van de obscure Chileense psychedelische rockband Aguaturbia.

Zakelijk blijkt RZA al even handig te zijn. Los van het platencontract dat de clan als geheel heeft, laat hij afzonderlijke leden bij andere maatschappijen tekenen. Een heuse biedingsoorlog ontaardt in een hevige concurrentiestrijd waarbij alle grote labels tegen elkaar opboksen en zo allemaal tegelijk Wu-Tang promoten. „Mijn plan was om de gehele industrie voor ons te laten werken”, vertelt RZA tevreden. Uiteindelijk zullen er veertig miljoen platen over de toonbank gaan.

Bij dat succes blijkt wederom van hoe ver ze komen. Als Cappadonna (Darryl Hill) na een verblijf in de gevangenis langswipt in de studio en een couplet meerapt, belandt dat tot zijn verbazing op Raekwons single ‘Ice Cream’. Zo verdient hij een cheque van zestigduizend dollar, die hij meteen bij de bank wil innen. Terwijl hij zich afvraagt waar hij al dat geld moet laten, krijgt hij te horen dat hij toch echt een rekening moet openen. „Dat was de onwetendheid waarmee ik binnenkwam”, geeft hij toe. „Maar daarna was the sky the limit.”

Na jaren van absolute dominantie wordt het rauwe Wu-Tang-geluid in het nieuwe millennium verdreven door gladde(re) hiphop. Maar de teloorgang is ook hun eigen schuld, betoogt Fernando. De klad kwam erin, de camaraderie verdween, het niveau verwaterde. Conceptuele kunstgrepen als Once Upon a Time in Shaolin (2015) – het duurste album ter wereld met een oplage van één – zorgden weliswaar voor publiciteit, maar wat hebben fans aan muziek die slecht één schaamteloos rijkaard kan horen? Daarover was zelfs de clan zelf verdeeld.

Volgens de onverbiddelijke regels van de straat hadden ze er allang niet meer moeten zijn, blikt RZA terug. „Schoolverlaters en ex-criminelen als wij worden door de samenleving afgeschreven. Voor je vijfentwintigste is je leven over: dan ben je dood of zit je achter de tralies. Wij waren in staat om die statistiek te verslaan en echte mensen in de muziek te introduceren, die hiphop voelden en leefden. Dat werd de gamechanger.”