Opinie

Team minibieb

Ellen Deckwitz

Donderdag was ik net mijn cavia’s aan het drenken toen vriendin K. belde. „Er stonden zopas vier boa’s op de stoep”, brieste ze, „die op zo’n Ockje Tellegentoon eisten dat ik mijn minibiebje verwijderde omdat ik er geen vergunning voor bezit. Ik heb ze keihard uitgelachen maar nu willen ze er een jurist bij halen.”

K.’s minibieb is, zoals wel meer van dat soort openluchtbibliotheekjes, een ontmoetingsplek voor de hele buurt geworden. Toen aan het begin van de pandemie de boekhandels sloten (in andere landen werden ze als essentieel aangemerkt en bleven ze gewoon open, maar dat helemaal terzijde) werd het een sociaal knooppunt. Je kon er op adem komen, foeteren op de wereld en ook nog eens leestips uitwisselen. Het kastje veranderde de straat in een woonkamer met een vloerkleed van klinkers en lantaarns als leeslampen.

Maar nu kwamen ze met vier man aanbellen en om een vergunning zeuren, omdat zo’n kastje blijkbaar brandgevaarlijk is.

„Daar zit wat in,” zei ik, „door tocht aangevreten boeken zijn veel ontvlambaarder dan tuinbankjes, heggen, oudpapiercontainers en vuurwerkopslagplaatsen. De bosbranden in Australië en Siberië kwamen ook allemaal door minibiebjes.”

‘Het is toch godgeklaagd”, zei K. „En waarom waren ze eigenlijk met zijn vieren? Alsof er niet genoeg te doen is met die hele wildgroei aan huisfeesten en demonstraties. Je zou haast denken dat er geen handhavingsschaarste is.” We hingen op en K. deelde haar ongenoegen online, waar het meteen werd opgepikt. Enkele uren later ontving ze een bericht van de burgemeester.

„Ze gaat erachteraan, ze is team minibieb!”, juichte K.

„Geweldig”, zei ik. „Maar toch, ergens snap ik die boa’s wel.”

„Hoezo?!”, riep K.

„Nou, het moet in deze tijd, waarin iedereen zo’n kort lontje heeft, best zwaar zijn om te handhaven. Ik kan me zo voorstellen dat ze na een hele dag foei zeggen tegen gedrogeerde toeristen, woedende burgers en mensen die hun hondenpoep niet opruimen, dachten van ah, een boekenkastje, eindelijk iets dat geen grote mond heeft. Gewoon om vergunning vragen, verslagje schrijven, klaar. Veel minder gedoe. Alleen jammer voor hen dat ze uitgerekend bij jou aanbelden.”

„Ik snap echt niet hoe je het voor die lui kan opnemen”, zuchtte K.

„Komt door al dat lezen, daar word je empathisch van”, zei ik. „Met jouw minibiebje bevorder je nou eenmaal begrip voor degenen die tegen minibiebjes zijn.”

„Nou ja,” mompelde K. ten slotte, „dat nemen we dan maar op de koop toe. Mijn minibiebje mag wel wat kosten.”

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.