Camp Smitty in 2004, vlakbij de Iraakse stad As Samawah

Foto Ruud Mol/Koninklijke Marine

Interview

Veteraan Emiel Jansen wil het taboe op praten over PTSS doorbreken

PTSS Nadat Emiel Jansen in Irak in een gewelddadige nacht een collega verliest, wordt in Nederland PTSS bij hem geconstateerd. Nu is er een boek over zijn ervaringen. „Om het taboe verder te doorbreken.”

Op de passagiersstoel van een legerjeep zit marechaussee Jeroen Severs – rechtop. Hij is dood, getroffen door vijandelijk vuur. Zijn collega’s hebben zijn lichaam overeind gezet toen ze de satelliettelefoon zochten. Van onder een andere auto kijkt marechaussee Emiel Jansen naar zijn collega en boezemvriend. Elke explosie laat Severs even oranje opgloeien in de duisternis. Alsof hij over ons waakt, denkt Jansen. Hij voelt tegelijkertijd boosheid, haat en vooral verdriet. En ook steeds meer angst, doodsangst. Hij heeft af en toe kippenvel, hoewel het meer dan dertig graden is.

Op een augustusavond in 2004 reden Jansen, Severs en vier collega’s van de marechaussee in Irak in een hinderlaag, op enkele uren van het Nederlandse Camp Smitty bij provinciehoofdstad As-Samawah. Onder de aanvallers bevonden zich ook lokale politiemensen, die zijn getraind door Nederlandse marechaussees. Militairen van de Luchtmobiele Brigade schoten hun te hulp, maar kwamen ook in grote problemen. Bij het uren durende gevecht overleed niet alleen een militair, Severs, maar raakten ook vele anderen gewond.

Bij Jansen hecht het beeld van Severs in de oranje gloed zich vast in zijn brein, net als andere schokkende scènes van die nacht en de dagen erna. De beelden blijven rondrazen in zijn hoofd, ook als hij weer in Nederland woont en op luchthaven Schiphol werkt. Vaak reist hij in een flits terug naar die nacht in Irak en voelt hij weer wat hij toen voelde. De ene keer hoort hij in een taxi de mobilofoon kraken en ziet hij ineens voor zich hoe een collega het bloed van Severs van de satelliettelefoon afveegt. De andere keer hoort hij op Schiphol de klap waarmee een rolkoffer op de grond valt; hij schrikt zo dat hij met getrokken pistool dekking zoekt achter een pilaar.

Emiel Jansen is een ander mens geworden. De Brabander die als gezellig en warm te boek staat, is nu vaak kortaf, cynisch en soms ronduit agressief. Hij drinkt te veel bier, ziet zijn kersverse geliefde vaak niet staan, lijdt aan slapeloosheid en heeft angstaanvallen. Na maanden talmen gaat Jansen in psychotherapie en hervindt zichzelf in de loop van de jaren, nadat hij de diagnose posttraumatische stress-stoornis (PTSS) heeft gekregen.

Horrornacht

Van de vele tienduizenden Nederlandse militairen die de afgelopen twintig jaar op uitzending zijn gegaan, heeft naar schatting 3 tot 10 procent PTSS. De krijgsmacht biedt deze groep erkenning, behandelingen en vaak ook financiële regelingen. Toch praten militairen niet graag over hun geestelijke verwondingen. Dat is jammer, zegt Emiel Jansen (47) in een café in Eindhoven: „Want toen ik openhartig begon te spreken over PTSS kreeg ik veel begrip van mijn collega’s. Ik kreeg ook rust; het beestje had een naam gekregen.”

Om bij militairen met klachten het gesprek over PTSS op gang te krijgen en „het taboe verder te doorbreken” heeft Jansen zijn verhaal door schrijver Jim de Koning (53) laten optekenen in het onlangs verschenen Onder vuur. Het boek reconstrueert zorgvuldig eerst de Iraakse horrornacht en -dagen en vervolgens Jansens vallen en opstaan in Nederland. Van de woestijn waar Severs ligt opgebaard in een koelcontainer, waarvan de „metalen wanden zijn bekleed met witte lakens en groene operatiedoeken”, tot luchthaven Schiphol waar Jansen een zelfdoding zo onverschillig afhandelt dat zijn chef hem er op aanspreekt met: „Zo ken ik je helemaal niet.”

Het stoffelijk overschot van Jeroen Severs, de in Irak omgekomen marechaussee, komt aan op Schiphol (2004) Foto Jasper Juinen/ANP

Onder vuur is ook een eerbetoon aan Jeroen Severs, die vóór Irak een naar later bleek belangrijke rol speelde in het onderzoek naar de dood van de 11-jarige Nicky Verstappen in 1998. Het was marechaussee Severs die in de nacht dat het lichaam van de jongen werd ontdekt, een eenzame fietser staande hield en diens naam en korte verklaring optekende. Die fietser was Jos B. die vele jaren later met dna-onderzoek aan het slachtoffer werd gekoppeld en inmiddels is veroordeeld voor het doden van de jongen. „Toen ik dat later hoorde, was ik trots op hem”, zegt Jansen. Hij voegt eraan toe: „Ik wil dat het verhaal van Jeroen niet vergeten wordt.”

Ten slotte beschrijft het boek een witte plek in de Nederlandse geschiedschrijving, zegt Jim de Koning, die Jansen tijdens het gesprek af en toe aanvult: „Na Srebrenica was deze hinderlaag de heftigste gebeurtenis van onze krijgsmacht in vredestijd.” In Srebrenica keken Nederlandse militairen in 1995 toe hoe moslimmannen door de Serviërs werden gedeporteerd – op weg naar een wisse dood. „Daar zat de schok voor de Nederlandse militairen in de ervaren onmacht. De nacht in Irak was voor de militairen veel heftiger, omdat er sprake was van directe doodsbedreiging. Toch is deze gebeurtenis vrijwel onbekend gebleven.”

„Ik heb de veteranendagen lang gemeden omdat ik niet met die man geconfronteerd wilde worden”

Veteranendagen

Dat komt misschien doordat de krijgsmacht in dit geval weinig heeft om trots op te zijn. Door allerlei misverstanden is bijna niemand op de Nederlandse basis die bewuste avond op de hoogte dat de zes marechaussees op pad gaan en neemt een deel van de hulptroepen later de verkeerde route naar de plek van de hinderlaag. Na het vuurgevecht tonen collega’s weinig empathie. Een militaire arts vraagt naar Severs met: „Waar is die dooie?” Een officier beveelt dat ze Severs’ lichaam maar moeten laten liggen, omdat er geen plek is in de auto.

Dat laatste pikt Jansen niet. Hij gooit spullen uit de auto om plaats te maken voor Severs. Die moet hij, zo staat in het boek, „letterlijk vrijwel dubbelvouwen vanwege ruimtegebrek”.

De volgende dag krijgt Jansen van een luitenant in Den Haag telefonisch de opdracht om de weggegooide spullen op te halen. Hij weigert en hoort er nooit meer wat van. „Hoe haal je het in je hoofd zoiets te zeggen, na wat ik had meegemaakt?”, zegt Jansen nu. Hij is nog altijd boos: „Ik heb de veteranendagen lang gemeden omdat ik niet met die man geconfronteerd wilde worden.”

Het incident met de luitenant is de zoveelste van de gebeurtenissen die na Irak door Jansens hoofd blijven malen. Totdat hij aan de slag gaat met zogeheten EMDR-therapie. De psychotherapeut laat hem eerst de „film” van herinneringen opknippen in losse scènes. Vervolgens moet Jansen elke scène herbeleven, terwijl de therapeut zijn aandacht een beetje afleidt. „Het is heel zwaar en heftig om terug te gaan naar die emotionele momenten, maar de spanning gaat er zo van af”, legt Jansen uit. De gedachte aan de luitenant maakt hem nog wel boos, maar brengt hem niet meer terug in de emotionele staat die hij had op de ochtend van het telefoontje in Irak.

Jim de Koning, schrijver van het boek Onder vuur.
Foto Frank Ruiter
Emiel Jansen in Irak.
foto privé-archief
Links: schrijver Jim de Koning. Rechts: Emiel Jansen in Irak.
Foto Frank Ruiter/privé-archief

Hetzelfde is gebeurd met zijn blik op Iraakse politiemannen. Tijdens het vuurgevecht heeft Jansen al de indruk dat ze worden beschoten vanaf het politiebureau. Dat besef laat hij pas toe als hij een paar dagen later de kogelgaten in de beschoten voertuigen onderzoekt. Waarom toen pas? Jansen, aarzelend: „Niet vertrouwen op je geheugen, dat is je opleiding.” De Koning: „Kwam het niet ook doordat je het onvoorstelbaar vond?” Jansen: „Ja, ik geloofde gewoon niet dat ik was beschoten door mensen die door mijn collega’s waren opgeleid.”

Nog altijd is Jansen boos op de Iraakse agenten en op wat hij ziet als hun verraad. „Als ik nu een foto zie van een Iraakse politieagent in een blauw pak, dan voel ik me kwaad en teleurgesteld. Maar het is niet meer zo dat ik daar een week last van heb.” Zo gaat het ook met andere beelden, scènes en geluiden. Vuurwerk doet hem nog altijd denken aan de groene lichtflitsen van kogels in die nacht, maar de rotjes en vuurpijlen op Oudejaarsdag bezorgen hem geen doodsangst meer – omdat hij weet wat hij verwachten kan.

Dat betekent ook dat Jansen gewoon kan werken, zelfs in een spannend beroep. Hij is inmiddels overgestapt naar ProRail, waar hij in het zuiden van het land alle verstoringen op het spoor moet helpen oplossen. Het werk houdt ook in dat hij af en toe wordt geconfronteerd met iemand die door een trein is overreden. Dat is geen probleem voor Jansen: „Na een melding heb ik vaak een uur aanrijdtijd en kan ik me instellen op zo’n confrontatie.”

Afghanistanveteraan: ‘Diep in mijn hart denk ik: was nog twintig jaar gebleven’

Geen watje

Op de weg naar dit nieuwe evenwicht heeft Jansen wel last gehad van een groot obstakel: zijn eigen onwil om te erkennen dat je het soms niet alleen kan oplossen. In Irak raakte hij op zijn eerste dag bevangen door de hitte maar weigerde toch naar de met airco gekoelde tent te gaan: hij is toch geen watje? Uiteindelijk sleepten zijn collega’s hem erheen. In Nederland vloog een getergde Jansen in een café bijna een paar klierende jongens aan en zette de opgeroepen politieagent hem voor het blok: of dit incident wordt gemeld of jij zoekt hulp. Toen pas ging hij in therapie.

Waar komt dit machogedrag vandaan? „Militairen zijn stoere mannen en vrouwen”, zegt Jansen. „Ze willen niet voor elkaar onderdoen en durven geen emoties te tonen.” Om hen toch te laten praten over hun trauma’s heeft Jansen met een collega het netwerk Blue Support opgezet. Maar de angst om een stempel te krijgen blijft. Dat is niet helemaal ongegrond, zegt hij: „Andere mensen denken soms dat je met PTSS een soort van invalide bent.”

Dat heeft hij zelf ervaren, toen hij bij de marechaussee op Schiphol net had verteld over zijn PTSS. „Er kwam een melding over iets dat schokkend zou kunnen zijn. ‘Blijf jij maar zitten, wij doen het wel’, zeiden mijn collega’s. Ik zei meteen: ‘Ik geef zelf wel aan wat ik wel en niet kan.’ Want ik word wel geremd bij bepaalde dingen, maar in principe kan ik weer alles.”