Opinie

Goede voornemens

Ellen Deckwitz

Iedere december gaan mijn oudoom Karel (109 ofzo) en ik na wat er van onze goede voornemens terecht is gekomen, en zo bekeken we gisteravond de lijstjes die we eind 2020 hadden opgesteld. Ze bleken hoofdzakelijk te bestaan uit plannen die door corona in het water waren gevallen.

„Boottocht naar Zuid-Afrika”, zei Karel, „afgelast wegens pandemie.”

„Theatertour in het najaar”, zei ik, „afgelast wegens pandemie.”

„We hebben onszelf toch een beetje laten meeslepen door vaccinoptimisme vrees ik”, piepte Karel. „We hadden veel kleiner moeten dromen.”

„Ik vind het vooral vervelend dat ik de hele tijd denk aan wat ik allemaal wel niet had kunnen doen wanneer dat virus er niet was geweest”, mopperde ik. „Ik leef echt in twee dimensies tegelijkertijd, de gehoopte en de daadwerkelijke.”

„Nou ja”, zei Karel, „zo werkt het bestaan nou eenmaal, je wordt vaker teleurgesteld dan dat je je zin krijgt.”

Ik knikte maar. Karel bracht een deel van zijn jeugd in een kamp door en heeft dus altijd gelijk. Het leven dat hij zich als jongen voorstelde, lag een wereldoorlog later geheel in puin. Ik zou erin moeten berusten dat alles veranderd is, dat ik een aantal projecten voor langere tijd zal moeten stilleggen, maar ik kan het nog niet. Ik probeer te wennen aan het idee dat wat voorheen opties waren, nu onmogelijkheden zijn, maar toch gelooft een deel van mij nog steeds dat het oude normaal ieder moment zal terugkeren.

‘Toen ik na de oorlog in een kil Nederland terechtkwam”, zei Karel, „voelde ik me een schipbreukeling. Verdwenen was de wereld waarvoor ik was opgeleid, de werkelijkheid waar ik naar uitzag. Maar toen stuitte ik opeens op die mooie uitspraak van Alexander Graham Bell, dat wanneer de ene deur dichtgaat, er een andere...”

„...opent, jaja, die is zo afgezaagd”, mompelde ik.

„Dat is niet het hele citaat”, zei Karel streng. „Er opent, volgens Bell, inderdaad een andere deur, maar hij benadrukte vervolgens dat de mens vooral zal rouwen om de deur die sloot. En daar zo in zal zwelgen dat hij vergeet gebruik te maken van de deuren die zich voor hem hadden geopend. We letten meer op de kansen die we mislopen dan op de kansen die we krijgen.”

Dat klonk aannemelijk, maar het hielp weinig. Nog steeds zat ik in twee werelden, de geplande en de daadwerkelijke, ondertussen piekerend over plannen die niet uit zouden komen, de verdwenen toekomst waarover ik maar niet kon stoppen te dromen.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.