Foto Merlijn Doomernik

Interview

Gary Vos: ‘Het verleden is een landschap met lagen’

Wat maakt het leven de moeite waard? Dat Latijn en Grieks alléén maar over woordjes en grammatica gaan, is volgens classicus Gary Vos (34) een misvatting. „Een beetje docent probeert de wijdere cultuur erbij te betrekken.”

Toen ze voor het eerst „meneer Vos” tegen hem zeiden, was Gary Vos (1987) achttien. Hij was net begonnen aan de studie klassieke talen in Leiden en zag bij de Vrije School in Scheveningen een vacature voor een paar uur Latijn per week. Hij gaf er eerste- en tweedeklassers les.

„Een gekke plek om te beginnen als je zelf niet in het systeem van de Vrije School bent grootgebracht”, zegt hij. Ook moest hij nog „oefenen met orde houden”. Maar het kleine leeftijdsverschil maakte niet veel uit, gelooft hij. „Jonge scholieren merken dat niet zo op.”

Na twee jaar in Scheveningen kwam hij als leraar klassieke talen op het Gymnasium Haganum in Den Haag, tot afgelopen zomer, met een onderbreking van een paar jaar om in Edinburgh te promoveren. Daar leerde hij zijn Schotse vrouw kennen. En hij heeft er nog steeds een aanstelling in deeltijd als docent ‘Wereldmythologieën’. In Nederland werkt hij al langer ook als nascholingsdocent voor leraren in het middelbaar onderwijs. O ja, en hij publiceert academische artikelen in tijdschriften voor classici. „Om mijzelf te blijven prikkelen.” Gary Vos is nu 34.

Aan wie geef je liever les, aan pubers of aan volwassen docenten?

„Toch wel aan die pubers, die kunnen zo eerlijk dwars zijn. En ik sta niet wit van het schoolkrijt rijtjes op het bord te schrijven. Ik ben meer van de verhalen. Natuurlijk de Trojaanse oorlog, en altijd wel een mooi, of minder mooi, liefdesverhaal zoals dat van Hero en Leander, of van Persephone en Hades. Je kunt er zijpaden mee verkennen, kunstwerken bij laten zien. En dan hoop je dat ze, als ze het later eens tegenkomen, denken: verdraaid, hier hebben we het ooit over gehad.”

Het begint met rijtjes leren, maar later krijgt zo’n taal vleugels als het goed is.

„Wel later dan vroeger en dat is zonde. Voor velen vallen de puzzelstukjes pas rond de vijfde klas, rond de traditionele Romereis, op hun plek. Maar een leerling moet nu eenmaal genoeg basiskennis hebben, zodat-ie zich niet bij elke zin hoeft af te vragen: o, hemel, waar ben ik nu weer beland en wat is het toch een verschrikkelijk werk want ik moet alles opzoeken. De een lukt het eerder dan de ander. En sommigen komen er nooit.

„Er zijn leerlingen die enthousiast binnenkomen voor de kunst en de cultuur en dan blijkt dat je ook veel woordjes en grammatica moet leren. Dat is een overheidseis, maar moeten we dat wel van elke leerling verlangen? Ik denk weleens: als je kunt kiezen tussen wiskunde A en wiskunde B, waarom zou je dan niet ook voor oude talen een wat meer cultuurgeoriënteerde variant kunnen maken en een ‘bètavariant’ die wat zwaarder inzet op de taal en de literatuuranalyse?”

Hoogleraar en classicus David Rijser schreef onlangs in NRC over het imago van het gymnasium als „exotische elite-omgeving”. Ouders sturen hun kinderen eerder naar zo’n school om ze in te pluggen in het ‘witte netwerk’ dan voor het curriculum. De oude talen en die niet zo inclusieve Griekse en Romeinse culturen heten bovendien „dragers van foute waarden”, die nu nog misbruikt worden.

Je maakt je leven leuker als je denkt: wat kan ik hier nu mee?

Om het gymnasium toekomst te geven, stelt Rijser voor om voorbij Italië en Griekenland te kijken naar de wijdere mediterrane wereld, inclusief de opkomst van de islam. Het probleem van het gymnasium is volgens hem „niet zozeer dat kinderen met wortels in Noord-Afrika, het Midden-Oosten en Turkije er niet welkom zouden zijn, maar dat ze er nauwelijks in zijn geïnteresseerd”, schreef hij.

Eens?

„Wat me een beetje tegenstaat, is de suggestie dat Latijn en Grieks alleen maar zouden gaan over woordjes en grammatica. Een beetje docent die zijn vak liefheeft, die zijn leerlingen liefheeft, probeert juist die dwarsverbanden te maken en de wijdere cultuur erbij te betrekken.

„Ik was het zeer eens met een reactie op de brievenpagina: kijk naar het grote succes van de gymnasiumafdeling van het Lely Lyceum in Amsterdam-Zuidoost. Dat laat zien dat er ook in die minder gefortuneerde, diverse en multiculturele omgeving een leerlingenpopulatie is die graag iets over de Oudheid wil leren.

„Ik mag hopen dat het gymnasium probeert een afspiegeling van de maatschappij te zijn. En je moet je uiterste best doen om te voorkomen dat je kinderen uit minder welgestelde milieus onderweg verliest. Simpelweg omdat ze thuis niet iemand hebben die ze even kan helpen en zelfs niet altijd een ouder die af en toe informeert hoe het op school gaat.”

Foto’s Merlijn Doomernik

Uit wat voor nest kom je zelf?

Ik ben opgegroeid in de Spoorwijk in Den Haag; niet de meest sjieke buurt van de stad, zullen we maar zeggen. Wij zijn nooit iets tekortgekomen, maar ik meen iets te weten van wat leerlingen in die omstandigheden meemaken. Ook wat het is als je vrienden van de basisschool je opeens een ‘stuudje’, een nerd, vinden.

„Ik ging als eerste in mijn familie naar het gymnasium en studeren. Mijn vader had mulo en was iemand van twaalf ambachten. Mijn moeder is Ierse, ging naar de middelbare school op het platteland en was altijd kostwinner. Je wilt niet weten wat voor gebeurtenis in ons gezin het Goede Vrijdagakkoord in 1998 was [dat een eind maakte aan het conflict tussen katholieke en protestantse Ieren]. Daarom kan ik me nu ook zo kwaad maken over wat Boris Johnson daar voor zijn Brexit op het spel zet, decennia werk om twee volkeren weer een beetje bij mekaar te brengen weggooien om, ja om wat precies?”

Hoe begon de liefde voor de Oudheid?

„Toen mijn grootvader overleed, erfden we een paar boeken die hij zich als havenarbeider en rechtgeaarde marxist eigen gemaakt had: I Claudius van Robert Graves en Griekse mythen en sagen van Gustav Schwab. Ik las ze onder de dekens.”

Wat zag je in klassieke talen? Iets om mee terug te gaan in de tijd, of iets wat vertelt over het nu?

„Er is niks mis mee om de Oudheid omwille van de Oudheid te bestuderen. Maar het idee dat je naar een puur verleden kunt, begrijpen wie es eigentlich gewesen ist, dat gaat niet. Je neemt altijd je eigen bagage mee. Ik denk ook dat je je leven een stuk leuker maakt als je denkt: wat kan ik er nu mee?”

Je bent gepromoveerd op het Linos-lied. Wat of wie is Linos?

„Ik had eerst ook geen idee maar ben het spoor gaan volgen. Het duikt voor het eerst op in de Ilias, als Homerus de wapenrusting van Achilles beschrijft. Op het schild staan scènes, waaronder een stad in vredestijd en een stad in oorlog. Het idee is dat dat schild de keuze van Achilles weerspiegelt: leef ik lang maar roemloos of kort maar krachtig en ben ik dan voor altijd bekend? Je ziet op dat schild volgens Homerus ook een jongen met een lier ‘die het Linos-lied zingt’. Het is vermoedelijk een rouwlied voor een jong gestorven mythologische zanger. Linos is ook een soort avatar van Achilles.”

Foto Merlijn Doomernik

Maar we kennen geen tekst en geen melodie, we weten alleen dat ze er waren.

„En dat nodigt uit om het zelf in te vullen en dan krijg je in de Oudheid allerlei verschillende verhalen over Linos. Bijvoorbeeld dat hij een kind was van prinses Psamathe, die ongewenst zwanger werd van Apollo. En natuurlijk moet dat kind verstopt worden, want de mensen geloven vast niet dat het van een god is. Psamathe vreest de woede van haar vader, en eerwraak. Waarna de baby ondergebracht wordt bij herders en aan stukken wordt gescheurd door honden. Toen Apollo dat hoorde, was hij de eerste die het Linos-lied aanhief.

„Al die Linossen voorzien steeds in een andere behoefte. Dat er een ‘filosoof Linos’ opduikt, valt samen met moment dat Athene zich als filosofisch centrum begint te ontwikkelen, met Socrates, Plato, en hun rivalen. Het kwam iemand kennelijk goed uit om bepaalde ideeën op te hangen aan een verzonnen filosoof Linos, die vóór Homerus zou hebben geleefd.

„In dezelfde tijd ontstaat ook het verhaal dat Linos de muziekleraar van de halfgod Heracles was. Die is niet zo muzikaal, krijgt de gebruikelijke corrigerende tik, wordt boos zoals pubers doen, en haalt uit, maar Heracles is Heracles en Linos is dood. Zeg maar de eerste school shooting uit de westerse literatuur.”

Dat Homerus in de Ilias zelden iets over een vrouw zegt, is een enorme ontmenselijking

Het opnieuw vertellen van de Oudheid is nooit opgehouden. Zie het succes van boeken als Mythos en Heroes van Stephen Fry, Silence of the Girls en Women of Troy van Pat Barker, Circe en The Song of Achilles van Madeline Miller, of het Medea-verhaal van David Vann.

„Misschien is sommige literatuur universeel. Medea leent zich natuurlijk enorm voor verhalen over onderdrukking, feminisme, het is een familiedrama. Zulke thema’s zullen altijd wel relevant blijven.

„Dat Pat Barker de Ilias vertelt vanuit vrouwelijk perspectief, vind ik prachtig. Want laten we wel wezen, als ík zo’n tekst behandel, is de neiging groot om uit te leggen hoe zo’n tekst op het publiek van tóén kan zijn overgekomen. Waarom laat een Homerus dit gebeuren terwijl hij ook empathie met zijn karakters kan tonen? Waarom moeten we het doen met het mooie afscheid tussen Andromache en Hector, en is er verder nauwelijks iets over vrouwen? Een enorme ontmenselijking, kun je zeggen. Natuurlijk, je hebt Trojaanse vrouwen van Euripides, en van Seneca, die verkennen het vrouwenperspectief wel, maar die stukken werden ook gespeeld door mannen, en wie zal er in zo’n theater hebben gezeten?”

Hoe vertel je daarover in de klas?

„Het heeft me geïnspireerd. De hele dag les via het scherm tijdens de lockdown – daar werd iedereen gek van. In die tijd gaf ik ook opdrachten creative writing. Hier is een verhaal, probeer het inderdaad maar eens vanuit een vrouw te schrijven, of vanuit een tot slaaf gemaakte in die tijd. Leerlingen vonden het leuk en ik heb er prachtige nieuwe mythes aan overgehouden. Nadat Theseus met Ariadnes hulp de Minotaurus heeft verslagen laat hij haar achter en trouwt ze met de god Dionysos. Theseus reist naar huis, maar vergeet het witte zeil te hijsen in plaats van het zwarte, zodat zijn vader denkt dat hij dood is en zelfmoord pleegt. Je kunt best tegen leerlingen zeggen: waarom denk je dat Theseus de witte zeilen niet gehesen heeft. Of: zit Ariadne eigenlijk wel te wachten op een Dionysos? Laat je fantasie de vrije loop.

„Na afloop liet ik ze hun eigen verhaal ontleden: waarom heb je het zo gedaan, wat heb je eraan toegevoegd uit je eigen belevingswereld? En ik geef ze tips over wat ze nog meer kunnen lezen als ze zin hebben. Als een leerling dat leuk vindt, is mijn werk af. En dan kan het me niet veel schelen of ze hun Griekse woordjes goed in hun hoofd hebben zitten.”

Aan mijn creatieve opdrachten heb ik prachtige nieuwe mythes overgehouden

Schrijver Daniel Mendelsohn noemde het storend dat Pat Barkers hoofdpersoon, de Trojaanse Briseïs, van alles aan de lezer uitlegt. „In plaats van door een telescoop naar het verleden te kijken moet je de telescoop soms durven weggooien”, zei Mendelsohn.

„Ik weet niet of ik het tegen een literatuurkenner als Mendelsohn durf op te nemen, maar ik denk dat Pat Barker het toch goed gezien heeft: die Trojaanse vrouwen zijn weliswaar veroverd door Griekse mannen, maar daarom zijn ze nog niet Grieks. En dat komt in de Ilias niet zo naar voren, want Homerus benadrukt juist dat Trojanen en Grieken een soort gedeelde cultuur hebben. Ergens heffen Grieken en Trojanen zelfs hetzelfde gebed aan; dat kan alleen als je elkaars taal begrijpt. Ik denk dat Barker heeft willen dramatiseren dat deze twee volkeren elkaar niet automatisch begrijpen.”

Hoe zie je eigenlijk het verleden voor je?

„Als een soort landschap met lagen, zoals archeologen ze vaak zien: verstoord, dat alles een beetje door elkaar ligt. Leerlingen hebben nog weinig gevoel voor tijdsdimensies. Ook door dat er voor veel vakken steeds minder lesuren zijn. Vier uur geschiedenis? Dat kan ook wel in twee, is de redenering. De Middeleeuwen in drie lessen, ja, dan wordt het een karikatuur.”

Wanneer sta je weer voor de klas?

„Dat komt wel weer. Tot dit jaar had ik vier banen. Ik doe nu met veel plezier academisch werk en die nascholingen.”

Welke mythologische figuur past er eigenlijk bij iemand met vier banen?

„Misschien toch wel Linos.”