Een trekvogel heeft lichtere veren dan een standvogel, tegen oververhitting

Biologie Trekvogels lopen het risico oververhit te raken tijdens de lange trek. Hun veren zijn dan ook lichter, zodat ze meer zonlicht reflecteren.

Een zwerm van Bonapartes strandlopers (Calidris fuscicollis), een typische lichte trekvogel uit Amerika.
Een zwerm van Bonapartes strandlopers (Calidris fuscicollis), een typische lichte trekvogel uit Amerika. Foto Pablo F

Trekvogels hebben over het algemeen lichter gekleurde veren dan vogelsoorten die niet of nauwelijks migreren. Witte en andere lichtgekleurde veren reflecteren veel zonlicht, wat oververhitting tijdens een lange trek kan voorkomen. Dat schrijven Duitse en Nieuw-Zeelandse ornithologen in Current Biology.

Dieren hebben allerlei manieren om hun lichaamstemperatuur op peil te houden. Soms gaat die thermoregulatie gepaard met uiterlijke aanpassingen, zoals grotere oren om overtollige warmte kwijt te raken, zoals bij de woestijnvos. En soms met ruimtelijke verplaatsingen. Zo bleek uit twee recent verschenen artikelen dat poelsnippen en grote karekieten, twee trekvogelsoorten, overdag beduidend hoger vliegen dan ’s nachts. Dat doen ze vermoedelijk om de zonnewarmte te compenseren, omdat het op grotere hoogte koeler is.

Albedo-effect

Als thermoregulatie bij trekvogels een belangrijke rol speelt, dan zou dat ook te zien moeten zijn aan het verenkleed van de vogels, redeneren de auteurs van het huidige artikel. Net zoals gletsjers en andere lichte landvormen meer zonlicht weerkaatsen dan donkere oppervlakken (het albedo-effect) zouden ook lichtgekleurde veren opwarming kunnen voorkomen. Om hun vermoeden te toetsen analyseerden ze de kleuren van 22.325 foto’s van 10.618 vogelsoorten uit het ornithologenhandboek Birds of the World. De door hen berekende lichtheid varieerde van 0 (helemaal zwart) tot 100 (helemaal wit). Naast het verenkleed werden ook snavels, poten en ogen in de analyse meegenomen.

Pelikanen en trekvogels

Vervolgens deelden de onderzoekers de vogels in verschillende groepen in: standvogels, korteafstandtrekkers over minder dan 2.000 kilometer, variabele trekkers en langeafstandtrekkers over meer dan 2.000 kilometer. De korteafstandtrekkers waren gemiddeld iets lichter dan de standvogels, en vooral bij de langeafstandtrekkers nam de lichtheid sterk toe. Zowel de rugveren als de borstveren zijn bij die groep over het algemeen lichter. Voorbeelden van veelal lichtgekleurde trekvogels zijn bijvoorbeeld pelikanen en kraanvogels.

Omdat vrouwelijke en mannelijke vogels vaak een afwijkend pluimage hebben, werden de gegevens voor beide seksen apart geanalyseerd. Daarnaast werd rekening gehouden met andere factoren: zo komen donkere kleuren vaker voor bij vogels in drassige en dichtbegroeide leefomgevingen, vermoedelijk omdat ze daar beter gecamoufleerd zijn. Verder zijn kleine soorten over het algemeen donkerder van kleur dan grote soorten.

Hoewel er voor veel soorten een duidelijke correlatie is tussen trekafstand en verenkleur, zijn er ook nog altijd uitzonderingen op de regel. Donkergekleurde trekvogels zouden bijvoorbeeld vaker ’s nachts migreren dan overdag, opperen de auteurs, en daarom minder belang hebben bij een lichtgekleurd verenkleed.