Opinie

EU-begrotingspact: dit moet de Nederlandse inzet zijn

Europese politiek Nederland moet zich diplomatiek maar zakelijk hard maken voor Europees toezicht op economisch beleid, per land geregeld, schrijft .
Foto Getty Images

De Europese onderhandelingen over de herziening van het Stabiliteits- en Groeipact zijn begonnen. Inhoudelijk is dit voor de Europese Unie een cruciale kwestie, omdat het gaat over economische eisen waaraan lidstaten moeten voldoen en over het terugdringen van Zuid-Europese schuldenbergen. Voor Nederland is ook zijn reputatie in het geding. Nederland geldt als vrekkig land dat vanuit een minderheidspositie Europese vooruitgang blokkeert. Wat is een slimme opstelling die de eurozone stabiliseert en waarbij Nederland geen verdere reputatieschade oploopt?

De begrotingsafspraken die in het Stabiliteits- en Groeipact zijn vastgelegd dwingen lidstaten om schulden houdbaar te houden. De staatsschuld mag 60 procent zijn van het nationale inkomen en voor het begrotingstekort geldt een maximum van 3 procent. Zo hebben landen hun eigen economische buffers. Zuid-Europa wil af van de starre regels. Met de lage rentes die er nu zijn, zijn schulden prima houdbaar, is de gedachte, ook als die hoger dan 60 procent zijn. En daarnaast is het sowieso ondoenlijk voor Italië om binnen afzienbare tijd de staatsschuld van 150 procent terug te brengen tot 60 procent. Verder zijn er lidstaten die hopen op omvangrijkere overheidsfinanciën op het niveau van de EU, zoals een budget voor de eurozone, euro-obligaties, en Europese financiering voor onder andere de energietransitie. Ongetwijfeld zullen die bij een deal over herziening van de regels van het begrotingspact op tafel komen.

Dit alles druist in tegen de noordelijke traditie van regels zijn regels, onafhankelijk toezicht, en geen overdrachtsunie waarin geld van het ene land naar het andere gaat. Als Nederland, premier Rutte voorop, die standpunten verdedigt, lijkt iedereen zich te ergeren. Met Denemarken, Finland en Oostenrijk vormt Nederland het groepje van ‘de onwillige dwergen’. Ook in Nederland zelf is de kritiek op het Europese optreden stevig: Nederland moet met de tijd mee, eindelijk eens pro-Europees worden, en ophouden met ‘verliezersstrategieën’. Experts en analisten die tevens adviseurs zijn bij het ministerie van Buitenlandse Zaken stellen zelfs dat Nederland „altijd” tegen „alles” nee zegt. Anderen zien Rutte dan weer als een slapjanus die bij elk Europees kruisje tekent.

Tot zover de framing. In werkelijkheid presteert Nederland boven zijn gewicht en is het altijd uit op compromissen.

Stevig onderhandelen

Ondanks de evidente diplomatieke kracht kan Nederland nog wel beter. Het is goed om terug te kijken naar de manier waarop Nederland vorig jaar heeft onderhandeld over het omstreden coronanoodfonds van 800 miljard euro. De stevige onderhandelingsstijl loonde, en leverde Nederland grote invloed op de uitkomst op. Oost-Europa moest de rechtsstatelijkheidsvoorwaarden aanvaarden. Zuid-Europa moest accepteren dat steun gekoppeld werd aan voorwaarden en toezicht. Ook Nederland deed water bij de wijn en stemde in met overdrachten en vormen van euro-obligaties. Maar hoezo verliezersstrategie?

Toch heeft Nederland vorig jaar twee belangrijke slagen gemist. Ten eerste had Nederland nog langer – en dus harder – moeten onderhandelen om óók het economische toezicht goed geregeld te krijgen. Aan het coronaherstelfonds had de voorwaarde gekoppeld moeten worden dat niet de Europese Commissie maar de lidstaten zelf onafhankelijke toezichtsstructuren moeten inrichten. Een voorbeeld hiervoor is het Centraal Planbureau in Nederland. Dat houdt hervormingen en investeringen onafhankelijk in de gaten, en rapporteert daarover in de media en aan kabinet en Kamer.

Europees toezicht vanuit Brussel werkt niet, omdat tal van sociaal-economische besluiten in nationale parlementen worden genomen. Toezicht ‘van buiten’ heeft daar weinig grip op als toezicht in de lidstaten zelf zwak is. Gebieden waarop EU-beleid wel werkt, zijn juist die terreinen waar de EU onafhankelijke nationale toezichthouders heeft afgedwongen, zoals bij voedselveiligheid, luchtvaartveiligheid, onafhankelijke centrale banken en concurrentiebeleid.

Omdat de toezichtcultuur op het economisch beleid in veel lidstaten te wensen overlaat en de Europese Commissie het toezicht op de lidstaten hier niet uit handen wil geven, zal Nederland daar nu zelf serieus werk van moeten maken.

Noodfondsen niet voor sterke landen

Ten tweede had Nederland bij het coronafonds moeten bedingen dat lidstaten waar de economische concurrentiekracht op orde is geen geld uit noodfondsen krijgen. Tijdelijke Europese steunfondsen zullen nodig blijven, omdat banken kunnen omvallen of een onvoorziene crisis kan uitbreken. Duidelijk moet zijn dat steun dan alleen voor behoeftige landen is. Duitsland, bijvoorbeeld, moet zelf prioriteiten stellen binnen de eigen begroting om de digitalisering en de energietransitie te betalen.

Het argument dat elk land recht heeft op ‘juste retour’ (wat het inbrengt, moet het ook terugkrijgen) ondermijnt een zinvolle besteding van EU-middelen, jaagt budgetten op, en holt solidariteit uit waar die nodig is. Noordelijke lidstaten zeggen wel dat ze geen Europese vestzak-broekzakgelden willen, maar als puntje bij paaltje komt eisen ze toch ‘hun’ deel op – dat ze dubbel en dwars zelf betalen.

Lees ook dit opiniestuk: Het helpt niet als Nederland in de EU altijd ‘nee’ zegt

De Nederlandse inzet bij de coronaonderhandelingen was stevig, effectief maar onvolledig. De lessen hieruit helpen om nu wel met een complete visie op het begrotingspact te komen. Er moet een systeem komen van onafhankelijke, nationale en Europese economische toezichthouders op afstand van de Commissie, noodsteun moet mogelijk zijn onder voorwaarden, en onder onafhankelijk toezicht, en sterke lidstaten krijgen geen geld uit steunfondsen. Zo is er ruimte voor voldoende flexibiliteit in de interpretatie van het stabiliteitspact en voor tijdelijke solidariteitsfondsen. Bij de Nederlandse inzet telt niet of het slap, vrekkig of onwillig is. Het gaat om diplomatieke zakelijkheid en dat vereist een uitgedachte visie op effectief economisch toezicht in de EU.