Opinie

Stukken van Congolese roofbank tonen onwenselijke Chinese machtspositie

Grondstoffen

Commentaar

Met miljardeninvesteringen en politieke en militaire druk op alle continenten tracht China zijn positie in de wereld tegenover westerse landen verder te versterken. Op weinig plekken is die strijd om geopolitieke macht zo zichtbaar en tastbaar als op het Afrikaanse continent. Duizenden Chinese bedrijven hebben, vaak gesteund door de Chinese overheid, mensen en materieel naar landen gestuurd waar tot enkele decennia terug nog vooral de voormalige koloniale machten zaken deden. Dat deze investeringen, veelal in strategisch belangrijke grondstoffen, soms anders lopen dan naar moderne maatstaven verwacht mag worden, is een understatement. Maar hoe die verwevenheid tussen politiek en economie er precies uitziet, komt maar zelden boven tafel.

Juist hierin schuilt de meerwaarde van de gelekte documenten onder de noemer ‘Congo Hold-Up’ waarover NRC, met andere internationale media, de laatste weken uitgebreid berichtte. 3,5 miljoen interne stukken van de bank BGFI werden dankzij het Afrikaanse klokkenluidersplatform PPLAAF voor journalisten doorzoekbaar. De Congolese tak van de oorspronkelijke Gabonese bank bleek niet alleen uit de hele wereld fout geld aan te trekken, maar lijkt ook een ‘pinautomaat’ te zijn geweest voor de in 2019 teruggetreden Congolese president Joseph Kabila. De rol die bedrijven met nauwe banden met de Chinese staat bij deze corrupte betalingen spelen is, zacht gezegd, ontluisterend.

Dat blijkt in het bijzonder uit het betalingsverkeer van de ‘Congo Construction Company’, een lege huls die kennelijk vooral gebruikt is voor het toeschuiven van steekpenningen door Chinese bedrijven om Congolese mijnrechten te verwerven. Terwijl de rekening officieel al bevroren was, slaagde een medewerker van CCC er in 2018 nog in om 2,5 miljoen dollar in contanten op te nemen. Dat geld kwam onder andere van het Chinees-Congolese mijnbouwbedrijf Sicomines, een joint venture die is voortgekomen uit wat lokale media in 2008 de „deal van de eeuw” noemden: 3 miljard dollar aan investeringen in infrastructuur in ruil voor mijnrechten voor koper en kobalt. Tientallen miljoenen van de rekening van CCC vloeiden soepel door naar de entourage van Kabila.

Lees ook: Hoe China greep kreeg op Congo’s kobalt

Het is te makkelijk, en onverstandig bovendien, om deze zwendel als puur Congolese of Congolees-Chinese affaire te zien. De straatarme Democratische Republiek Congo, nummer 175 op de Human Development Index van de Verenigde Naties, is zelf natuurlijk het meest direct geraakt. Met behulp van de roofbank incasseerde de kring rond Kabila op vernuftige wijze naar schatting 138 miljoen dollar gemeenschapsgeld. Maar de kwestie heeft ook aanzienlijke geopolitieke en strategische consequenties. Westerse landen, de Europese Unie voorop, moeten daar lessen uit trekken.

Want hoe arm Congo op papier ook is, de rijkdommen van het land zijn onmisbaar voor de zo noodzakelijke transitie naar meer duurzame energie. Vooral het zeldzame aardmetaal kobalt, waarvan Congo naar schatting meer dan de helft van de wereldwijd bekende tegoeden onder de grond heeft, is op dit moment nog onontbeerlijk bij de productie van batterijen voor bijvoorbeeld elektrische auto’s. China heeft dat begrepen. Vijftien van de negentien kobaltmijnen in Congo zijn inmiddels direct of via leningen in Chinese handen. In het licht van de recente waarschuwing van het Internationaal Energieagentschap IEA dat waarschijnlijk al in 2030 een tekort aan kobalt ontstaat, geeft dit China de komende jaren een onverantwoord voordeel.

Dat het in een de facto failed state als Congo anders investeren is dan in Noorwegen (nummer 1 op die Human Development Index) zal niemand verrassen. En het is een grote vooruitgang dat westerse conglomeraten in hun thuislanden de laatste jaren worden afgerekend op onfrisse bedrijfspraktijken elders in de wereld. Maar het zou van naïviteit getuigen als Europese landen Chinese bedrijven om die reden vrij baan zouden geven en zelf van China afhankelijk zouden worden. Ook de Congolezen zijn daar overigens niet mee geholpen; uit onderzoek van onder andere The New York Times blijkt dat bij mijnprojecten die van Amerikaanse in Chinese handen overgingen de arbeidsomstandigheden verslechterden en de milieuschade toenam.

De nieuwe Congolese president Félix Tshisekedi heeft aangekondigd de met veel fanfare gelanceerde „deal van de eeuw” van zijn voorganger met China tegen het licht te houden. Terecht, want van de afgesproken tegenprestaties hebben de Congolezen nog niet veel gemerkt. Hij verdient daarin steun, in het bijzonder van de Europese Unie. De gelekte documenten van de BGFI-bank maakten duidelijk hoe ongelijk het speelveld in de race om strategische grondstoffen is geworden. Europa kan niet aan de zijlijn staan.