Opinie

Hoe godsdienstwaanzin journalisten de anonimiteit in kan drijven

Karel Smouter

Jongens waren we. Maar, aardige jongens. Zo aardig zelfs dat de oproerpolitie in Teheran ons in die verhitte junidagen in 2009 geloofde toen we na onze arrestatie beweerden dat we backpackers waren die geheel per ongeluk in een protestmars waren beland.

Niettemin hadden we eenmaal weer op vrije voeten flink de bibbers en het traangas bovendien nog in de ogen. We besloten naar de zuidelijke stad Shiraz te vliegen, ver weg van de zogeheten Groene Revolutie die toen gaande leek. Vanuit een smoezelig internetcafé, tegenover de rozentuin waar de graftombe van de 14de eeuwse volksdichter Hafez staat, konden we ons journalistieke werk voortzetten. Terwijl vrijwel alle westerse journalisten werden opgepakt en het land uitgezet, konden wij vertellen wat we zagen. Bijvoorbeeld dat de protesten nu ook in andere steden waren opgelaaid.

Met collega Ludo Hekman nam ik plaats in een krap belhokje om bijvoorbeeld actualiteitenrubriek EenVandaag te woord te staan.

Anoniem, dat wel. Want we wilden wel veilig huiswaarts vliegen. De risico’s waren bepaald niet denkbeeldig. Terwijl wij in Shiraz zaten vernamen we dat een collega die nog in Teheran zat in de kerkers van de Baseej-milities was beland. Slechts door diplomatieke bemiddeling op het hoogste niveau kwam hij weer vrij.

Open vizier

Nu is het weliswaar onwenselijk, maar niet ongebruikelijk om journalistieke bronnen anonimiteit te garanderen. Maar journalisten zelf? Verslaggeven hoort met open vizier te gebeuren. Een journalist moet kunnen worden aangesproken op zijn of haar producties. Alleen in landen als Iran is het denkbaar dat je soms, in geval van nood, als verslaggever je naam verzwijgt.

Althans, dat dacht ik, tot ik onlangs een bericht voorbij zag komen dat sindsdien als een graat in mijn keel is blijven steken. Een verslaggever van enkele regiokranten uit het Mediahuisconcern schreef een achtergrondartikel over de complotdenkers die zich in Bodegraven verzamelen om zich aldaar aan grafschennis schuldig te maken. Ze leggen bloemen bij graven van overleden kinderen, omdat die – quod non natuurlijk – het slachtoffer zouden zijn geworden van ritueel seksueel misbruik van satanistische signatuur.

Ik had nooit verwacht dat een krant de naam van een auteur in Nederland zou moeten verbergen, zoals hier gebeurd was. Maar ook in dit geval zijn de risico’s allesbehalve imaginair. Zo werd onlangs duidelijk dat de mannen die een brandbom naar binnen gooiden bij collega Willem Groeneveld van de Groningse website Sikkom, zich hebben laten inspireren door het complotnetwerk van de grafschenners.

Net als in Iran is ook bij Nederlandse persbedreigers een serieuze vorm van godsdienstwaanzin in het spel. In Iran leidde het eindtijddenken er bijvoorbeeld toe dat zijn volgelingen in president Ahmadinejad soms de Mahdi zagen, de verdwenen twaalfde Imam die zou terugkeren op aarde om een rechtvaardige samenleving te stichten. Een van de spilfiguren uit het Bodegravense complotnetwerk is ene Hans de M., die in de zee bij Katwijk door hem bekeerde medesceptici ten doop houdt. Hij noemt mondkapjes en vaccins middelen „uit de hel”.

Genoeg overeenkomsten dus. Maar verschillen zijn er gelukkig ook: zowel de brandbomwerpers als de onheilige drievuldigheid die zich in Bodegraven verzameld heeft kwamen gewoon voor de rechter. In Iran is de godsdienstwaanzin geïnstitutionaliseerd.

Reden te meer om onze instituties – van parlement tot publiek bestel – te vrijwaren van deze gekte. En, liefst zoveel als mogelijk onder eigen naam, te onderzoeken en te weerspreken.