Hoe een Stasi-stel spioneerde vanuit een flat in Vlaardingen

Spionage Een echtpaar uit de DDR spioneerde in de jaren zeventig voor de Stasi in West-Duitsland – vanuit Nederland. Ze wisten niet dat de BVD hen op de hielen zat.

De valse persoonsbewijzen van de Oost-Duitse geheim agenten ‘Klaus Heinig’ en ‘Bärbel’.
De valse persoonsbewijzen van de Oost-Duitse geheim agenten ‘Klaus Heinig’ en ‘Bärbel’.

Het spel is uit. Geheim agent ‘Bärbel’ houdt haar armen naar voren. Een handboei klikt dicht om haar pols. De Nederlandse politievrouw die haar komt arresteren, sluit de andere ring om haar eigen pols. ‘Bärbel’ protesteert: wat moeten de buren wel niet denken als ze zo wordt afgevoerd? Welwillend legt de agente een kledingstuk over de ijzers. Nu vluchten uitgesloten is, laat de Oost-Duitse spion zich over de galerij van haar Vlaardingse flat meevoeren naar de gereedstaande politieauto. Haar eenjarige zoontje Sasha blijft achter in de woning.

Gedachten razen door haar hoofd: wat hebben ze fout gedaan? Hoe zijn ze ontmaskerd? Het antwoord op die vraag is eenvoudig: door het werk van de BVD. De Binnenlandse Veiligheidsdienst (nu AIVD) weet al jaren dat zij en haar man werken voor het Oost-Duitse Ministerium für Staatssicherheit, beter bekend als de Stasi. Op 1 juli 1979 klapt de val dicht.

Wat Irene E. (‘Bärbel’ is haar Stasi-codenaam) niet weet, is dat haar man Gerhard E. (codenaam ‘Klaus Heinig’) diezelfde dag in de trein naar Bonn is gearresteerd nadat hij in het zuiden van de Bondsrepubliek een belangrijke elektriciteitscentrale heeft gefotografeerd. Omdat hij het voorstel van de West-Duitsers om over te lopen heeft afgeslagen, is ook Irene zo snel mogelijk aangehouden. Zo krijgt ze geen kans thuis in Vlaardingen bewijs te vernietigen. Met de arrestaties van ‘Bärbel’ en ‘Klaus Heinig’ komt een einde aan hun dubbelleven als Annemarie en Dieter Hädrich, de valse identiteit waarmee ze in Nederland bekend zijn.

Voor het eerst kan het verhaal van Dieter en Annemarie verteld worden. Het tv-programma Andere Tijden kreeg inzage in tot op heden geheim gebleven Stasi-akten en het BVD-dossier van het duo, dat met een beroep op de Wet openbaarheid bestuur is verkregen. Aangevuld met herinneringen van mensen die omgingen met het spionnenstel, dat tussen 1973 en 1979 onder de rook van Rotterdam woonde, ontstaat een gedetailleerd beeld van een leven dat onopgemerkt had moeten blijven. Voor wie de Netflixserie heeft gezien: The Americans in Vlaardingen, maar dan – spoiler! – zonder de moorden.

Over de activiteiten van de Stasi in Nederland is relatief weinig bekend. In 2007 wijdde Andere Tijden een aflevering aan dubbelspion Luutsen de Vries. Journalist Margriet Brandsma onthulde in 2011 dat een medewerker van de Oost-Duitse ambassade in Den Haag een agent was geweest. Beatrice de Graaf, hoogleraar internationale en politieke geschiedenis aan de Universiteit Utrecht, deed voor haar promotie in 2004 onderzoek in de Stasi-archieven in Berlijn naar de deels succesvolle pogingen van de Oost-Duitse geheime dienst om te infiltreren in de Nederlandse vredesbeweging. Desgevraagd zegt ze over de DDR-activiteiten in Nederland: „Er zijn voorzover ik kan zien en ook kan inschatten niet meer dan een handvol grote operaties geweest.”

Reizen van het spionnenstel Irene en Gerhard E. begonnen vaak op het Centraal Station van Rotterdam.

Klassenbewuste kameraad

De concrete voorbereiding van het vertrek van Gerhard en Irene E. naar Nederland begon in 1972, maar het duo was toen al jaren in training. Gerhard (1945) werd in 1968 geworven als medewerker van de Stasi, aanvankelijk als Inoffizieller Mitarbeiter (IM), verklikker dus. In 1970 trouwde hij met de vier jaar jongere Irene B. Het was een huwelijk uit liefde, niet met een door de Stasi vooropgezet plan voor spionage als stel, maar daar draaide het wel op uit. Irene bleek uit het juiste hout gesneden. Ze ontwikkelde zich onder invloed van haar man tot „klassenbewuste kameraad”, staat in haar dossier. Op het moment dat ze in dienst traden, kregen Irene en Gerhard schuilnamen: ‘Bärbel’ en ‘Klaus Heinig’. Ze vulden elkaar goed aan. Zij was „rustig, zakelijk en bescheiden”, hij „temperamentvol”.

Eenmaal in Nederland moest ‘Klaus’ de Resident worden: hij zou het daadwerkelijke spioneren gaan doen. ‘Bärbel’ werd zijn assistent, die thuis het fort bewaakte en via de radio en post contact hield met het hoofdkwartier in Berlijn. Ze leerden allebei een zender gebruiken, codetaal ontcijferen en werken met (micro)fotografie. Dat ‘Klaus’ de baas was en ‘Bärbel’ de ondersteuning, bleek uit het salaris dat ze gingen verdienen: hij 880 mark bruto, zij 594 mark.

Plan was dat het duo zich in Nederland zou vestigen om van hieruit te spioneren in de Bondsrepubliek. Dat deden ze dus met de gestolen identiteit van een West-Duits stel: Dieter en Annemarie Hädrich. Die waren in 1972 naar de DDR verhuisd om dichter bij de familie van de vrouw te zijn. Om hun dekmantel als de Hädrichs waterdicht te maken, leerden de twee spionnen de hele levensloop van hun nieuwe identiteiten uit het hoofd.

Enkele maanden voor hun vertrek stelde majoor Helfried Zollfrank, hun zaaksofficier op het Stasi-hoofdkwartier, een plan op voor de missie. Als ze wilden communiceren over de voortgang van hun werk, moesten ze dat doen met brieven of postkaarten aan (niet-bestaande) kennissen in Oost-Duitsland. Daarbij werd codetaal gebruikt. ‘Anne’ betekende dat er nieuws was over huisvesting, ‘Christine’ over de zoektocht naar een baan en ‘Elfi’ als het over radiotransmissies ging.

Voor ontmoetingen met Stasi-contactpersonen was een protocol opgesteld dat niet zou misstaan in een (matige) spionagefilm. ‘Klaus Heinig’ en/of ‘Bärbel’ moesten om twaalf uur voor de C&A op het Damrak in Amsterdam gaan staan – met een sleutelhanger van Westminster Abbey, wisselend van de rechter- naar de linkerhand. Dat was het teken dat de kust veilig was. Daarna zou ‘Zentrale’ de weg vragen naar het ‘Dam-Mark’ (sic). ‘Heinig’ moest antwoorden dat hij de weg wist naar de ‘Nieuw-Mark’ (sic). ‘Zentrale’ zou vervolgens te kennen geven dat hij op zoek was naar het Vergnügungsviertel , de Wallen. De uiteindelijke meeting vond dan een uur later plaats in Chinees-Indisch restaurant Toko 747 op de ‘Onde Zijdssvorgurgwal 177’ (sic).

Aldus tot in de puntjes voorbereid vertrok het duo op 24 november 1973 met de trein uit Berlijn. Hun beider families kregen te horen dat Gerhard in Syrië ging werken als monteur. Via Kopenhagen en Hamburg arriveerden de Hädrichs, zoals ze vanaf dat moment heetten, in Rotterdam. Ze namen hun intrek in een hotel en gingen op zoek naar een woning en een baan, terwijl ze zich ook moesten registreren bij de Vreemdelingenpolitie en de gemeente. Tussendoor was er gelukkig nog wel tijd voor een bezoekje aan de disco, zo valt lezen in het handgeschreven rapport van agent ‘Bärbel’ dat ze op 21 december opstelde in Berlijn, waar het stel na een kleine maand verslag uitbracht.

Het document is uitzonderlijk gedetailleerd. Van de zoektocht naar meubilair wordt bijvoorbeeld drie pagina’s lang verslag gedaan. ‘Klaus Heinig’ – alle papieren zijn gesigneerd met de codenamen en niet de eigennamen van de agenten – tekende van diverse ruimtes in het politiebureau en op het gemeentehuis een nauwkeurige plattegrond, alsof het militaire bases betrof.

Hun eerste woning bevond zich op de Tollensstraat 71B in Rotterdam. Dieter Hädrich ging aan de slag als monteur in een bedrijf bij de haven, Annemarie kreeg een baan als laborant – het vak dat ze in de DDR had geleerd – bij het Holy Ziekhuis in Vlaardingen.

In hun badkamer hadden de Stasi-agenten een doka. Daar ontwikkelden ze hun clandestien genomen foto’s.
Plattegrond van de afdeling volkshuisves-ting van de gemeente Rotterdam, getekend door Gerhard E.
Foto Publicam / Harry Hartemink

Informant

Haar collega’s vonden haar een vriendelijke vrouw, zeggen ze voor de camera van Andere Tijden. „Annemarie was een knappe vrouw”, herinnert Mirjan van Stek zich. Dieter, die op feestjes graag foto’s maakte, „een aardige vent”. Liebeth Dirksen: „Zij sprak binnen de kortste keren feilloos Nederlands.” Magda Berghout: „Ze kon overal over meepraten.” Van Stek: „Ja, maar ook heel goed luisteren, want als ze iets niet wilde vertellen, vertelde ze het ook écht niet.”

Tot zover de dekmantel. Intussen was het spionagewerk van het duo begonnen. Hij reisde regelmatig naar de Bondsrepubliek om militaire objecten en belangrijke infrastructuur te fotograferen. Soms ging de reis ook naar andere landen, onder meer Frankrijk, waar ‘Klaus Heinig’ contact legde met andere Stasi-illegals.

Het was dit uitbundige reisgedrag dat de familie Hädrich in het vizier van de BVD bracht, zo lezen we in het dossier dat de dienst in 1976 opende. Een medewerker noteerde: „Op 11/8 was er een telefoongesprek met een informant die anoniem wenste te blijven. Hij zei dat hij het verdacht vond dat het stel zo vaak naar Duitsland reisde, dat de man veel dure camera’s had. (…) In hun kennissenkring in Nederland spreken ze nooit over hun familie. Een gesprek over persoonlijke zaken gaan ze uit de weg.”

De informant was kennelijk bij de Hädrichs over de vloer geweest, want hij vertelde dat ze een donkere kamer hadden om foto’s te ontwikkelen. „Ze laten daar wel foto’s zien aan bezoekers en het is daarbij opgevallen dat ze dan een hoekkast angstvallig gesloten houden. Mevrouw moet een veel betere opleiding hebben dan ze doet vermoeden.”

De BVD ging onmiddellijk aan de slag met de tip. De Hädrichs kwamen onder permanente observatie te staan en al snel werd duidelijk dat de veiligheidsdienst beet had: dit waren spionnen. De autoriteiten verloren het duo hierna geen moment meer uit het oog.

„Het is bezoekers opgevallen dat ze een hoekkast in de kamer angstvallig gesloten houden”

Een aardig idee van wat dit in de praktijk betekende, geeft de inzet op 26 april 1977. ‘Sluiswachter’ – de Nederlandse codenaam die de BVD Dieter Hädrich had gegeven – maakte die dag een reisje naar Keulen met flink wat bagage. Drie mannen van de BVD stapten bij hem in de trein, van wie er eentje bij de grens uitstapte om telefonisch verslag uit te brengen aan zijn meerderen. Op het station van Keulen wachtten vijf Duitse en vier Nederlandse volgers de trein op. ‘Sluiswachter’ nam een taxi en hierna liep de boel in het honderd, staat in het rapport te lezen. „De Duitse collega’s, die de volgactie inmiddels hebben overgenomen, verliezen hem hier uit het oog. Hij loopt na het verlaten van de taxi een klein steegje door, dat leidt naar zowel de perrons, als naar een aantal hotels. Hij wordt niet meer teruggevonden. 1.15: einde actie.”

Soms gingen de ‘Sluiswachters’ samen op pad. Ze vertoonden daarbij opvallend gedrag, noteerde de BVD. Zoals die keer dat zij eerst een koffer in een kluisje op Rotterdam Centraal had gedaan, om die later samen met haar man op te halen en naar Keulen te brengen. In het observatierapport van de dienst staat: „N.B. het echtpaar is erg oplettend, niet nadat is gevolgd, maar toen mevr. [weggelakt] voor de eerste maal haar woning verliet, vonden wij, dat zij erg keek, ook in de spiegel van de auto waarom wij haar dan ook enkele malen kwijt waren, omdat wij op grote afstand moesten volgen.”

De BVD had het in de loop van de operatie wel makkelijker gekregen. De Hädrichs waren na drie jaar namelijk verhuisd naar de Koninginnenlaan 459 in Vlaardingen. Voordat ze die flatwoning betrokken, had de inlichtingendienst een kamer geregeld in de woning ernaast. Ze boorden gaatjes in de muur en brachten microfoons aan. De toenmalige bewoners van nummer 457 leven niet meer, hun dochter Gerda Noordsij wel. Zij herinnert zich de Duitse buren goed. „Ze waren aardig. Mijn vader en moeder vonden ze ook aardig.” De BVD was er niet altijd, maar er stond wel altijd een auto voor de flat, zegt ze. „Dan liep ik met mijn moeder boodschappen te doen en dan zeiden we: kijk, daar staat er weer een.”

Zo bouwde de BVD een beeld op van het stel. Uit het dossier: „Uit alles blijkt dat Sluiswachter een ‘gevaarlijk’ figuur is, die tot van alles in staat geacht moet worden. (…) Overigens is de vrouw de ‘leider’ van de twee – zij zorgt dat haar man zich niet vergaloppeert”. Elders staat dat hij „slemielig (sic) overkwam” en zij een „koele, berekenende vrouw” was. Pijnlijk wel, voor de officiële Resident.

Lees ook: Directeur van het Stasi-archief: ‘Iedereen was deel van het systeem’

Codeboekje

Op 1 juli 1979 ging het dus helemaal mis. In het BVD-dossier staat dat Gerhard E. – we kunnen hem nu weer zo noemen, want zijn cover is kapot – die dag „omstreeks 14.15 uur is aangehouden en werd bewerkt”. Terwijl hij in Bonn niet overliep, maar wel zijn echte naam opgaf, hield Irene in het politiebureau van Vlaardingen aanvankelijk stand. Pas toen ze geconfronteerd werd met de echte naam van haar echtgenoot, bekende ze een spion van de DDR te zijn. Ze verklaarde, naar waarheid, dat ze nooit iets tegen Nederland had ondernomen. Ze bleef echter liegen toen ze zei dat ze pas in 1979 waren begonnen met het echte spionagewerk.

Het verslag van haar ondervraging zit deels woordelijk in het BVD-dossier. De dienst had de flat op zijn kop gezet en confronteerde haar met wat er zoal was gevonden: een codeboekje onderin een theeblik en een zender die stond afgestemd op de korte golf, 03220 kHz, de frequentie waarop de Stasi elke avond om acht uur lange reeksen getallen uitzond die met zo’n boekje ontcijferd konden worden. Verder veel foto’s, van vliegtuigen en schepen – maar ook beeld van pornografische aard. Irene E. gaf geen krimp: dat was niet bedoeld om mensen mee te chanteren. Haar man was hobbyfotograaf en fotografeerde nu eenmaal liever mensen dan landschappen. „[De meisjes] vonden het leuk. Misschien hoopten ze model te worden.”

Over haar eenjarige zoontje Sasha hoefde ze zich geen zorgen te maken, kreeg ze te horen. Die werd verzorgd door een van de Vlaardingse politiemannen die haar hadden ingerekend.

Hierna deed de ondervrager ook bij Irene een nauwelijks verhulde poging haar te verleiden om over te lopen. Hij vroeg of ze politiek asiel wilde. Haar antwoord: „ Ik wil geen politiek asiel. Ik wil naar mijn geboorteland terug”. Maar wat vond ze dan van het Westen, nu ze er al een tijdje woonde? „De kapitalistische maatschappij heeft misschien op enkele punten zijn voordelen, maar in mijn land hebben de mensen het even goed.” En het IJzeren Gordijn? „Dat is om te voorkomen dat West-Duitsers in de DDR kunnen infiltreren. Bij ons is veel waar de Bondsrepubliek belangstelling voor heeft.”

Toen Irene E. niet te vermurwen bleek, moest de Nederlandse overheid beslissen wat met haar te doen: uitzetten of berechten voor spionage. Het oordeel viel na een paar dagen gunstig uit voor agent ‘Bärbel’: ze werd het land uitgezet omdat ze op valse papieren was binnengekomen, illegaal dus. Samen met zoontje Sasha vloog ze terug naar Berlijn. Haar echtgenoot werd in de Bondsrepubliek veroordeeld tot drie jaar cel, maar keerde in het kader van een uitruil na anderhalf jaar al terug naar de DDR. Beiden werden door een dankbaar vaderland voor hun werk onderscheiden met medailles.

Rest de vraag: hoe gaat het anno 2021 met Irene en Gerhard E.? Ze zijn niet meer bij elkaar, zo blijkt. Op haar Facebookprofiel staat een onscherpe foto uit 2016. Ze lijkt hertrouwd. ‘Klaus Heinig’ woont nu buiten Berlijn en neemt gewoon de telefoon op als je hem belt. Over zijn leven als spion is hij niet bepaald mededeelzaam. „Ik wil over dat onderwerp niks zeggen, want dat raakt ook veel andere mensen.” Nou ja, hij wil wel iets kwijt over het land waar hij vijf jaar woonde. „Ik heb veel goede herinneringen aan Nederland – en daarbij wil ik het laten, oké?”