Hoe Amsterdam met ‘donutdenken’ groen én betaalbaar wordt

Donuteconomie De gemeente Amsterdam wil op een ‘circulaire’ manier verduurzamen én problemen als het woningtekort aanpakken. En dat allemaal volgens het ‘donut’-principe. Klinkt mooi, maar hoe werkt dat in de praktijk?

De KasKantine in de Riekerhaven in Amsterdam.
De KasKantine in de Riekerhaven in Amsterdam. Foto Camiel Mudde

‘Amsterdam wordt donutstad.” Deze slogan gaat niet over de groei van zoetebroodjesketen Dunkin’ Donuts in de hoofdstad, maar over de manier waarop de duurzaamheidsafdeling van de stad problemen wil aanpakken.

Wethouder Marieke van Doorninck (Ruimtelijke Ontwikkeling en Duurzaamheid, GroenLinks) sprak onder het mom van de ‘donutstad’ in april 2020 haar ambities uit om van Amsterdam een groenere én socialere stad te maken. En ze wilde daarvoor de ideeën toepassen van de ‘donuteconomie’, gebaseerd op de theorie van de Britse econoom Kate Raworth van de universiteit van Oxford.

Volgens Raworth vragen de problemen van deze tijd om een andere aanpak dan die in het klassieke groeimodel. Economische groei zoals we die nu kennen leidt namelijk tot klimaatverandering en sociaal-economische ongelijkheid, stelt zij. Dat kan en moet anders, volgens Raworth. In tegenstelling tot de almaar stijgende lijn uit het klassieke groeimodel, ziet Raworths model eruit als een donut. De binnenkant staat voor een tekort aan basisbehoeften, zoals zorg en huisvesting. De buitenkant visualiseert de zogeheten ‘planetaire grenzen’ zoals klimaat en milieu, waarbinnen de hele economie zou moeten opereren.

Klimaatneutraal

De gemeente Amsterdam formuleerde doelen die ervoor moeten zorgen dat de stad straks opereert binnen de grenzen van de donuteconomie. Zo moet in 2030 het gebruik van nieuwe grondstoffen zijn gehalveerd. In 2050 moet Amsterdam een circulaire economie hebben die bovendien klimaatneutraal is. Raworth, die sinds vorig jaar ook verbonden is aan de Hogeschool van Amsterdam, is enthousiast. Amsterdam is de eerste wereldstad die de donut in de praktijk probeert te brengen. „Het beleid is nog niet overal geïmplementeerd, maar ik zie nergens anders zo’n ambitieuze agenda.”

Lees ook: Hoe ziet de stad eruit na de pandemie?

Ook op sociaal vlak wil Van Doorninck hogere ambities, al ligt die taak bij andere wethouders. En daar ligt ook gelijk de uitdaging van de donuteconomie: die is niet alleen duurzaam, maar óók sociaal. Een Amsterdamse ambitie die daarbij past, is bijvoorbeeld dat straks 10 procent van het woningaanbod coöperatief moet zijn – waarbij bewoners zelf bepalen hoe zij het gebouw beheren. Dit moet de betaalbaarheid en toegang tot de woningmarkt bevorderen. Maar juist op dat gebied is Amsterdam nog ver van zijn doelen verwijderd. Van de bijna 60.000 Amsterdammers die in 2018 zochten naar een sociale huurwoning, kreeg slechts 12 procent een woning toegewezen. Bovendien heeft bijna 20 procent van de huurders na het betalen van de huur onvoldoende geld voor de overige primaire levensbehoeften.

De donutaanpak die Van Doorninck voorstaat op haar terrein – ruimtelijke ontwikkeling en duurzaamheid – wordt ook nog niet integraal, op alle beleidsterreinen, door de gemeente ingevoerd.

Dit alles maakt dat de Amsterdamse ‘donut’-aanpak de zorgen van Shivant Jhagroe, universitair docent aan het Instituut voor Bestuurskunde in Leiden, nog niet wegneemt. Hij stelt dat duurzaam en sociaal in de praktijk meestal niet samengaan. In 2016 is hij gepromoveerd op stedelijke duurzame transities, waarbij hij een scheefgroei tussen een ‘eco-elite’ en ‘grijze achterblijvers’ vaststelde. Zonnepanelen, elektrische auto’s en biologisch vlees zijn namelijk niet voor iedereen weggelegd. Hij ziet de donuteconomie vooral als mooie metafoor die daar in de praktijk weinig aan gaat veranderen.

Armoedebestrijding

Volgens Jhagroe moet de gemeente klimaatbeleid koppelen aan armoedebestrijding. „Neem de energiearmoede: je moet duurzame energie ook betaalbaar houden. Heb je daar per se een donutstrategie voor nodig? Volgens mij niet.”

Ook zelfstandig econoom en grootstedelijk strateeg Najah Aouaki, die veel in en met de gemeente Amsterdam werkt, ziet nog geen grote omslag plaatsvinden op het sociale vlak. Volgens Aouaki moet de gemeente een ondergrens bepalen voor simpele behoeften zoals de toegang tot energie, voeding en wonen. „De overheid kan als enige de regels hiervoor bepalen. Daarmee kan zij afdwingen dat bedrijven sociale, groene en financiële doelen afwegen. Als de overheid alles aan de vrije markt en burgerinitiatieven overlaat, gaan we pas echt richting een eco-elite.” Hier kan de gemeente een begin mee maken, maar ook de landelijke overheid is nodig om hier echt grote stappen te maken, vinden zowel Jhagroe als Aouaki.

Volgens Jhagroe is de grote vraag dan ook of de donuteconomie gepaard gaat met een al dan niet landelijke donutpolitiek. „Je kunt in theorie wel zeggen dat je afwilt van die eco-elite en dat iedereen leuk mee kan doen, maar wat als in de praktijk precies diezelfde mensen gebruikmaken van donutinitiatieven? Dan ontstaat er dus eigenlijk een donutelite.”

 

Hoe ziet de praktijk van de Amsterdamse donuteconomie eruit? NRC bezocht drie initiatieven die, in lijn met het donutmodel, duurzaam en sociaal verenigen.

Betaalbaar eten

‘Nomadisch’ restaurant de KasKantine

Op Sportpark Riekerhaven, vlak bij het Nieuwe Meer, vind je de duurzame buurttuinen met voedselkringloop en ontmoetings- en werkplaats van de KasKantine. De oprichter van deze off-grid community – zonder elektriciteits-, water- en gasaansluiting – is Menno Houtstra. „Ik had geen geld en was praktisch dakloos. Ik had eerder gewerkt op boerderijen in Oost-Europa. In die primitieve omstandigheden heb ik geleerd dat je makkelijk kunt overleven met zelfgebouwde voorzieningen. ”

Houtstra bouwde een restaurant voor nog geen 5.000 euro. „Daarvan ging het grootste deel naar de architect en de horecavergunning”, vertelt hij. Sindsdien is er van alles bijgekomen, zoals een fietswerkplaats, een zelfgemaakte pizzaoven voor de buurtetentjes en een ‘gratis supermarkt’ met ingezameld voedsel van winkels en horeca. En dat alles op basis van vrijwillige bijdrage, om mensen met een kleine portemonnee tegemoet te komen. Duurzaam en betaalbaar: een typisch donutinitiatief.

Een van Houtstra’s geheimen: „Doordat we als nomaden steeds met al onze containers van locatie wisselen, kunnen we op goedkope grond staan die tijdelijk beschikbaar is. Wij doen daar tegen lage kosten iets leuks mee.”

Een verdienmodel heeft Houtstra niet. „We eten van wat we produceren in onze tuintjes en van het voedsel dat we inzamelen via Albert Heijn.” Volgens de zogeheten ‘MAEX-index’, die sociale waarde uitdrukt in geld, voegt de KasKantine per jaar 300.000 euro toe aan de samenleving. De totale kosten bedragen 17.000 euro, mede dankzij de inzet van dertig vrijwilligers.

Voor het eerst is de KasKantine nu op grond beland van de gemeente, die een kostendekkende prijs als minimumhuur hanteert. Maar volgens Houtstra zijn die kosten lager dan wat de gemeente voorspiegelt. Hij wil daarom minder betalen. „Wij kosten de gemeente namelijk niets, terwijl we wel waarde creëren voor de buurt.” Een aantal gemeenteraadsleden diende een motie in om Houtstra te helpen, maar die wordt deze maand afgewezen door wethouder Van Doorninck. Volgens Houtstra komt dat doordat de afdeling Vastgoed vreest voor precedentwerking: staan ze deze vorm van duurzaam grondgebruik voor minder huur toe, dan staan andere aanvragers mogelijk al snel in de rij om hier ook gebruik van te maken. Terwijl dat volgens Houtstra nou juist de bedoeling is.

Foto Camiel Mudde
Foto Camiel Mudde
Foto Camiel Mudde
In de Riekerhaven in Amsterdam staat de KasKantine, een duurzaam initiatief waar omwonenden met een kleine beurs tegen een vrijwillige bijdrage voedsel uitgedeeld krijgen. De kas is circulair zelfvoorzienend.
Foto’s Camiel Mudde

Betaalbaar wonen

Collectief en duurzaam bij De Warren

Volgend jaar september moet het gebeuren: collectief, duurzaam én betaalbaar wonen, precies zoals het donut-model voorschrijft – en dat in Amsterdam. Het klinkt op de huidige woningmarkt als een utopie, maar volgens de vriendengroep achter Wooncoöperatie de Warren gaat het echt gebeuren. De 36 woningen op IJburg worden energiepositief, wat betekent dat het gebouw meer energie opwekt dan het nodig heeft. Daarnaast krijgt het een groene gevel en wordt vooral gebruikgemaakt van natuurlijke bouwmaterialen zoals hout.

„We hebben met dit collectief al jaren evenementen georganiseerd”, vertelt mede-initiatiefnemer Gerard Roemers. „Daardoor heerst een cultuur van wederzijds respect en goede samenwerking. Op die manier hebben we nu ook samen het ontwerp gemaakt en het project begeleid.” Het gebouw is niet alleen duurzaam, maar moet ook het samenwonen bevorderen. Elke verdieping krijgt een collectieve ruimte, variërend van werkruimtes tot een theater. „Een soort mini-dorpje in de stad dus.”

Het grote verschil met ‘gewoon’ duurzame woningen ontwikkelen voor de huurmarkt is dat niemand in het coöperatieve model eigenaar wordt van het gebouw, aldus Roemers.

„Je haalt speculatieve prikkels uit het systeem, terwijl de doelstellingen op de lange termijn gewaarborgd blijven. Het feit dat je als bewoners zelf de consequenties van je eigen ontwerp- en bouwkeuzes voelt, maar ook rekening houdt met de bewoners die na jou komen, maakt dit zo uniek.”

Roemers is te spreken over de rol van de gemeente. „Zij hebben ons goed begeleid, en staan klaar als we, als pionier tegen onverwachte zaken aanlopen.” Maar het bleef niet bij woorden: de gemeente maakt steeds meer grond beschikbaar voor coöperaties, en riep een leenfonds in het leven voor financiering van de bouw van coöperatieve woningen. “De gemeente Amsterdam helpt zo het gat te dichten dat de bank niet kan financieren, zolang je maar een goed plan indient.”

De huurprijzen zullen variëren van 450 euro voor een studio tot 970 euro voor een gezinswoning, en alles daartussenin. Op de Amsterdamse huurmarkt is dat relatief goedkoop. Roemers: „Omdat je als bewoner lid bent van de vereniging, zullen de huurprijzen ook niet verder stijgen dan de inflatie. Over twintig jaar lach je je dood over hoe weinig je hier aan huur betaalt, vergeleken met andere sociale en middenhuur.”

Foto Camiel Mudde
Foto Camiel Mudde
Met een groep vrienden wordt hier gebouwd aan een coöperatief appartementencomplex.
Foto’s Camiel Mudde

Circulair shoppen

Nieuw leven voor oude kleding

Amsterdammers produceren jaarlijks zo’n 14 kilo textielafval per persoon, waarvan 10 kilo bij het restafval terecht komt. Dat wordt meestal verbrand, waarbij veel CO2 vrijkomt. „Corona liet ons zien hoe groot het probleem is”, vertelt Roosmarie Ruigrok.

Zij is vanuit de gemeente Amsterdam projectleider bij Reflow, een Europees project dat sinds twee jaar ook in Amsterdam hergebruik en recycling van textiel stimuleert. „Omdat al het transport aan banden lag, zaten we ineens opgezadeld met 150.000 kilo textiel.”

Reflow begon verschillende initiatieven. Zo kunnen mensen met een Stadspas, beschikbaar voor Amsterdammers met een laag inkomen, 25 procent korting krijgen op reparaties bij dertig kleermakers. Dat was de eerste maanden zelfs 90 procent. „Daarmee helpen we niet alleen mensen met een Stadspas om mee te doen aan de circulaire economie, maar ook de kleermakers zelf”, legt Ruigrok uit. „Zij hadden tijdens corona weinig werk. Bovendien redden we hiermee duizenden kledingstukken van de verbrandingsoven.”

Reflow zette ook een ‘Swapshop’ op, waar Amsterdammers hun kleding, schoenen en accessoires kunnen ruilen in plaats van kopen. In deze tweedehands winkel betaal je naast wat servicekosten met ‘Swaps’, punten die je krijgt voor het inleveren van oude kleren. Die moeten wel schoon en heel zijn. Zijn ze dat niet, dan worden ze gerecycled.

Dat gerecyclede materiaal komt weer goed van pas bij de ‘Denim Deal’ tussen onder andere 30 partijen in de mode- en textielindustrie en de gemeente Amsterdam, geïnitieerd door Reflow.

De ‘deal’ is dat merken als Scotch & Soda, Kuyichi en MUD Jeans samen binnen drie jaar drie miljoen spijkerkledingstukken maken met daarin minstens 20 procent gerecycled textiel. Hiervoor zamelt de gemeente, die dus direct betrokken is bij Reflow, het oude textiel in.

Stadpashouders in Amsterdam kunnen bij verschillende kledingmakers terecht om hun kleding met korting te laten repareren. Zo ook bij Karin’s kledingreparatie en stomerij. Foto Camiel Mudde

Correctie (dinsdag 7 december 2021): In een eerdere versie van dit artikel werd universitair docent Shivant Jhagroe verkeerd geciteerd. Hierboven is dat aangepast.