Vroeger waren pepernoten te koop vanaf drie dagen voor 5 december

Ook verschenen Redacteur Margot Poll signaleert welke boeken er ook zijn verschenen en kiest er steeds zes om kort te bespreken. Deze week over de wens om inconsequent te zijn, het vinden van geluk bij Noorse rendieren, en een Paus die niet alleen wilde eten.

1. Frank Meester: Waarom we de wereld niet rond kunnen krijgen

Filosoof, schrijver en muzikant Frank Meester schreef, misschien wel zonder zich daar bewust van te zijn, een zeer welkom boek in tijden van soms hoog oplopende discussies over bijvoorbeeld je wel of niet laten vaccineren. Uitgangspunt: het zal ons nooit lukken om een consistent verhaal over de wereld te vertellen. Daarom moeten we ons niet te kwaad maken als het ons of anderen niet lukt om consequent te zijn. In Waarom we de wereld niet rond kunnen krijgen introduceert Meester het begrip inconsequentisme waarmee hij een lans breekt voor het inconsequent mogen zijn. Er is niets op tegen om van standpunt te veranderen: wie vandaag ‘uit principe’ tegen vaccineren is, kan de volgende dag zonder zich bezwaard te voelen een andere mening zijn toegedaan door een overtuigend verhaal van een wetenschapper of van een goede vriend. In een ‘speculatieve achtbaan’, langs geweldige voorbeelden en theorieën van vele filosofen met schematische tekeningen ter lering en vermaak, zoekt Meester naar grondslagen voor zijn inconsequentisme. Aan het einde van het boek staan zeven stellingen die Meester heeft onderbouwd; de laatste daarvan is ‘Waarover men niet kan spreken, daarover moet men juist wel proberen te spreken’ in tegenstelling tot Wittgensteins stelling ‘Waarover men niet kan spreken, moet men zwijgen’. Het belangrijkste doel van dit aantrekkelijke en zeer geestig geschreven boek is de lezer over te halen ‘inconsequentialist’ te worden. Want alleen dan, is de verwachting van Meester, ‘zal de wereld een betere plek zijn’. Mooie verhalen, geweldig geschreven

Frank Meester: Waarom we de wereld niet rond kunnen krijgen. Pleidooi voor inconsequenties.Ten Have, 206 blz. € 20,99

2. Laura Galloway: Winter

Het debuut Winter van de Amerikaanse journalist en schrijver Laura Galloway gaat over haarzelf; ze deed om verschillende redenen die in het non fictie-boek allemaal ter sprake komen, een DNA-test die uitwees dat ze ‘genen deelde’ met de Sámi-bevolking in Noord Europa. Ze bezoekt het noorden van Noorwegen en zal uiteindelijk haar succesvolle baan in New York opzeggen om in te trekken bij haar nieuwe vriend en rendierenherder Áilu (‘Ik denk overal en altijd aan rendieren’) in Kautokeini, een plaats met nog geen 3.000 inwoners. Ze doet op alle fronten haar best zich aan te passen aan het inheemse volk door de taal te leren en gebruiken over te nemen met behulp van Áilu’s zussen. Toch doet ze blijkbaar iets verkeerd, want Áilu vraagt haar via een Facebookbericht – hij is met zijn rendieren hoog in de bergen – zonder reden het huis te verlaten. Tot op de dag van vandaag weet Galloway niet waarom, want ze hebben het nooit uitgepraat. Zijn familie liet haar van de ene dag op de andere vallen – ook een gewoonte onder Saami. Het verhaal heeft dezelfde heftige impact als dat van de Zweedse schrijver Elin Willows die ook voor de liefde naar de poolcirkel verhuisde en al op de dag van aankomst gedumpt werd, maar besloot te blijven. Ook Galloway blijft in Kautokeini om misschien wel dezelfde redenen waarom ze ooit haar thuisland verliet. Toch is het vooral de absolute schoonheid van de toendra’s en de stilte van de natuur die haar zes jaar tussen de rendieren houden. Galloway duikt niet alleen in de expat-cultuur, ze studeert aan de Sámi allaskuvla (de geheel in hout opgetrokken universiteit op een heuvel midden in de stad die verschillende master- en bachelor-vakken biedt) en zoekt natuurlijk werk. Ze loopt tegen de Janteloven aan, de wet van Jante die verwijst naar de sociale code in heel Scandinavië dat je nooit je kop boven het maaiveld mag uitsteken. Galloways schikt zich en stelt zich zo bescheiden mogelijk op. Het boek gaat niet alleen over overleven in het Noorden maar ook, met terugblikken naar haar leven in de VS, over het verwerken van de dood van haar moeder toen Laura een kleuter was. Ze schreef er een schitterend boek over. Gedoseerd en stoer.

Laura Galloway: Winter. Zes jaar tussen de rendieren. (Dálvi).Vertaling Marjet Schumacher. HarperCollins, 318 blz. € 19,99

3. Helen Fisher: Ver weg, dichtbij

Dat veel uitgevers niets in het debuut Ver weg, dichtbij van de Britse Helen Fisher zagen is niet geheel onverklaarbaar – het onderwerp is zo ongeloofwaardig, dat de ik-persoon Fay zich op de eerste pagina’s al moet verontschuldigen voor haar verhaal en dat ze het begrijpt als de lezer stopt met lezen – al moet dat dan natuurlijk meteen een teaser zijn. Fay verloor haar moeder op heel jonge leeftijd (het is geen thema van de week hoor!) en zou niets liever willen dan haar nog eens zien. Door een mirakel kan zij zichzelf transporteren naar de jaren zeventig, de wereld van dertig jaar geleden. Naar de kleine Fay en haar moeder Jeany aan wie ze zich voorstelt als een journaliste. Al is het een roman vol dromerige fantasie en clichés (‘ik had emotionele dorst en zij was mijn glas water’), voor wie het gemis van een moeder op een andere manier wil beleven, kan met Fisher mee reizen naar een wereld van verlangen en onwaarschijnlijkheid.

Helen Fisher: Ver weg, dichtbij. Ambo|Anthos, 346 blz. € 21,99

4. Delfien Vanden Heede: November en ik

De Vlaamse Delfien Vanden Heede schreef met November en ik een heerlijke coming of age roman over de jonge geschiedenisstudent Esther, die door de oudere Ella November – prachtige naam – wordt ingeleid in de lesbische liefde. Een lichte ontgroening met eerst alleen wat opmerkingen: ‘Esther is een ‘‘Groentje’’, ‘Nee kleintje, je kunt niet lesbisch zijn en nooit naar voetbal kijken’. En ‘Geschiedenis heeft hetzelfde effect op de bevolking als een stuk chocolade op een mokkende peuter’. Later wordt de verliefde Esther meegesleept naar een crazy-exen-pizzaparty waar ze al meer moeite mee heeft: ‘Het idee dat ik een pizza moest delen met mensen die Elly op een lichamelijk manier hadden gedeeld, deed me in elkaar krimpen als een doorgekookte mossel’. Uiteindelijk blijkt Ella onbereikbaar en na acht maanden wordt de relatie die geen relatie mocht heten door Esther verbroken. Tien jaar later ziet Esther op het nieuws dat Ella November wordt vermist. Dan speelt de hele film uit 2009 zich opnieuw af en denkt Esther dat alleen zij Elly alsnog moet gaan redden. Ella November en ik is als één lange herinnering aan een liefde geschreven, maar het echte onderwerp is misschien nog wel beklemmender: eerst de angst om je ouders te vertellen dat je op meisjes valt (‘hoe vertel ik het mijn ouders – bij de tiende hap’) en vervolgens de reactie van de ouders. Goed geschreven en aanrader voor ouders die (niet) weten hoe te reageren op een dochter die verliefd is – op een vrouw.

Delfien Vanden Heede: November en ik. Pelckmans, 168 blz. € 20,00

5. Godfried Bomans: In alle ernst

Vijftig jaar na de dood van schrijver en columnist Godfried Bomans (1913-1971) koos Joost Prinsen uit zeven verzamelde werken van elk zo’n 800 bladzijden, bijna veertig ‘serieuze’ stukken van de schrijver die velen vooral kennen van ‘lichtvoetiger’ werk of van Erik of het klein insectenboek (1941). In de bundel In alle ernst staan columns of stukken van Bomans uit de Volkskrant en Elsevier Weekblad die bijvoorbeeld gaan over het dan net verschenen De avonden, het debuut uit 1947 van Gerard Reve. Bomans vindt het in zijn soort een meesterwerk maar noemt de soort ‘eenvoudig afschuwelijk’. Of zeer uitgebreid over de heiligverklaring van Paus Pius X ofwel de kardinaal Giuseppe Sardo die helemaal geen Paus wilde worden. Waardevolle stukken die een beeld geven van de tijd waarin Bomans leefde, waarbij zijn soms cynische en humoristische inslag zeker niet ontbreken. Want zo serieus als hij schrijft over het pausconclaaf, zo gemakkelijk zoomt hij ook in op grappige details; een Paus eet alleen is het gebruik. Maar Pius X zag daar tegenop en zou hebben gezegd: ‘Mijn illustere voorganger Urbanus VIII, heeft het tweede bordje afgeschaft, de huidige Paus zet het weer op tafel. Zo ontwikkelt zich de kerkgeschiedenis.’ Dus ja, serieuze stukken, maar herkenbaar Bomans.

Godfried Bomans: In alle ernst. De keuze van Joost Prinsen. Meulenhoff, 259 blz. € 25,00

6. Roelof-Jan de Wild: De bisschop, de boeman en de beloner

Dat Roelof-Jan de Wild (1986) verslaafd is aan alles van Sinterklaas blijkt ook uit het feit dat hij al meer dan twintig jaar Sint-Nicolaas speelt en lezingen houdt over de Goedheiligman. Nu is er het boek De bisschop, de boeman en de beloner waarin hij de ontwikkeling van het Sinterklaasfeest in de achttiende en negentiende eeuw beschrijft aan de hand van foto’s, prenten, geschreven herinneringen en ander archiefmateriaal. Er staan misschien dingen in het boek die men ‘in onze tijd liever niet meer wil horen of zien’, schrijft De Wild. Toch zou de informatie over de ‘zwarte knecht’ de Pietendiscussie kunnen voeden, al is het boek primair gericht op de historische interpretatie van het feest. Om daar één aantrekkelijk onderwerp uit te lichten: begin negentiende eeuw begonnen de zogenaamde Sinterklaasmarkten drie dagen voor en eindigden drie dagen na Sint Nicolaas – banketbakkers stalden keurig hun waar uit. Daar kocht men alle pepernoten, speculaas en marsepein voor het heerlijk avondje en niet zoals nu al maanden van tevoren in de supermarkt.

Roelof-Jan de Wild: De bisschop, de boeman en de beloner. Achtergronden bij het Sint-Nicolaasfeest in het Nederland van de 18de en 19de eeuw. Leon van Dorp, 307 blz. € 34,95