Reportage

Theatervoorstelling van twee wazungu

De gedenkwaardige maaltijd Vijf schrijvers over de maaltijd die zij nooit meer zullen vergeten. Deze aflevering: Tijs Goldschmidt.

Illustratie Lynne Brouwer, portret Jennifer Knuchel

Bwana, kuna inzi kwenye supu yangu. Vrij vertaald betekent dat: ‘Ober, er zit een vlieg in mijn soep’. Het is een zin die ik jaren geleden leerde uit een oude Wat & Hoe in het Kiswahili. Las je daarin, dan was je zo terug in de koloniale tijd: ‘Jongeman, zou je zo goed willen zijn mijn sportauto te wassen?’

Bwana, kuna inzi kwenye supu yangu, spookt het door mijn hoofd. Alleen is in dit propere eettentje geen vlieg te bekennen. Boven de ingang naar de keuken hangt, op een ultramarijn geverfde muur, een zwart-witfoto van de mwalimu, meester, president Nyerere. Hij werd opgeleid als bioloog, net als Maembe die tegenover me aan tafel zit, en ikzelf. De Frans sprekende Belg Jean Luc, die ook net is aangeschoven, werkt als arts in een klein missieziekenhuis aan de andere kant van het meer. Hij is korte tijd in Kigoma om wat praktische zaken te regelen: hij heeft dringend mazelenvaccins nodig. Omdat Maembe geen Kifaransa spreekt, converseren we in het Swahili. Jean Luc spreekt en verstaat noodgedwongen echt goed Kiswahili, anders zou hij nogal wat patiënten niet verstaan. Bovendien ratelt zijn Afrikaanse vrouw Swahili met vrienden en vriendinnen, en je wilt toch weten waarover ze het hebben.

Maembe drinkt mierzoete thee met kardemom, de bleekneuzen koud bier. Maembe is een tijd zwijgzaam geweest, maar neemt nu het woord: „Ik zat op een jongensinternaat. Daar leerden we van mister MacDougall, een Britse hark in korte broek, met mes en vork eten. In de eetzaal stond een lange houten tafel. Die moesten we dekken, pas daarna mochten we gaan zitten. Na het bidden werd de soep opgediend. MacDougall stond aan het hoofd en commandeerde ons alsof we zijn bataljonsoldaten waren.”

De propellerbladen van de fan aan het plafond zoeven luidruchtig, zodat ik moeite heb Maembe te verstaan. Hij at tijdens zijn jeugd voornamelijk ugali, een dikke maispap, met bladgroente. Af en toe zat er wat vis of vlees doorheen. Een enkele keer vlees van een onfortuinlijke struisvogel. Je kneedde een balletje van de stopverfachtige substantie, deukte er met je duim een kuiltje in, en dipte vervolgens in het groentenat. Tijdens de lessen ‘synchroon eten voor aspirant-gentlemen’ ging het er anders aan toe. Maembe imiteert de orders van MacDougall: „Pak je lepel en neem een schep soep uit je kom. Stop, overnieuw. Allemaal tegelijk. Breng de lepel met soep naar je mond, niet je mond naar de lepel. Rechtop zitten Godfrey, je bent geen zoutzak. Kantel de lepel en laat de soep naar binnen lopen.”

Op enige afstand van onze tafel staan inmiddels zes, zeven Tanzanianen met verbaasde gezichten ons te observeren

Maembe excuseert zich, hij moet aan het werk, kazi kazi, en vertrekt. Jean Luc en ik bestellen kip met rijst en bonen die al snel wordt geserveerd. „Dit is een kip uit Kigoma”, vertelt de ober, terwijl hij de borden neerzet. „Goed om te weten, dank u”, zeg ik, en ga verder tegen Jean Luc: „Geen vlezige Russische import kip dus.” Nog steeds in het Kiswahili, want mijn Frans is roestig. Op enige afstand van onze tafel staan inmiddels zes, zeven Tanzanianen met verbaasde gezichten ons te observeren: „Krijg nou wat, ze spreken ook Kiswahili met elkaar?”, zegt een magere man. „Misschien hebben ze zelf geen taal?” , merkt de vrouw naast hem op, terwijl ze haar kind wiegt. Zodra de toeschouwers zien dat wij om hun commentaar kunnen lachen, lachen ze zelf ook.

„Ik heb de hele dag nauwelijks iets gegeten”, zegt Jean Luc. „Geen tijd. Vanmorgen vroeg een man geopereerd die was uitgeschoten met zijn kapmes. Hij had zijn buik zo ver opengehaald dat zijn darmen naar buiten puilden.” Twee vrouwen en een jongen, die op het punt stonden het eethuis te verlaten, voegen zich bij het publiek dat nu in een halve cirkel op een meter of twee van ons af staat, en zich uitstekend vermaakt met deze spontane theatervoorstelling van twee wazungu, Europeanen. Dan komt de mwenye kiti, het dorpshoofd, binnen. Hij is kort van gestalte, gaat op zijn tenen staan, en kijkt over de schouders van enkele toeschouwers heen: „Wat is er hier aan de hand?” „Ze eten kip met rijst en bonen”, zegt een van hen, „en ze converseren in het Kiswahili. Die dikke zegt steeds mara kwa mara, van tijd tot tijd. Drink je whisky? Van tijd tot tijd. Maar drink je niet te veel whisky? Van tijd tot tijd niet te veel.” Gelach. Ik richt het woord tot Jean Luc en kijk dan naar het publiek: „Niet kluiven, daktari. Laat MacDougall het niet zien.”

Tijs Goldschmidt (68) is essayist en bioloog. Hij werkte van 1981 tot 1986 bij het Tanzaniaanse Victoriameer als onderzoeker van de Leidse Universiteit. In 2019 verscheen bij Van Oorschot Onvoldoende liefdesbrieven.