Recensie

Recensie Boeken

Ook schrijvers moeten voort, opgejaagd door eerzucht, studieschuld en hypotheek

Owen Donkers en Erik Jan Harmens Terug naar hoe het ooit was: dat delen deze schrijvers. Maar ze schotelen ons geen simpele nostalgie of afrekeningen voor.

Illustratie Paul van der Steen

Ook schrijvers moeten voort, opgejaagd door eerzucht en anders wel door de klakkende gesel van studieschuld, hypotheek en de eisen van het nageslacht, maar in veel gevallen worden ze onophoudelijk de draaikolk van het verleden ingetrokken. Beperken we ons tot de laatste eeuw Nederlandse literatuurgeschiedenis dan gingen ze bijvoorbeeld terug naar een jeugdliefde (Vestdijks Ina Damman), terug naar een gereformeerde woonplaats (het Oegstgeest van Wolkers) of terug, in recentere gevallen, naar een plek waar het vroeger niet pluis was, zoals het Lelystad van Joris van Casteren of de Drentse Blokker-winkel van Peter Middendorp in Vertrouwd voordelig.

Een grote plunjezak met herinneringen hangt over hun schouders, klaar om te worden leeggeschud en geordend. Er zijn er ook bij, die niet eens door hebben dát ze zo’n zak met zich meetorsen. Owen Donkers (1977), schrijver van een handvol goede, maar vooralsnog wat over het hoofd geziene, timide romans, demonstreert dat in het nieuwe Wat je zaait.

Omdat hij een bepaalde voorstelling graag wil zien reist hij op een avond af naar een theater in Nieuwegein, de plek waar hij een deel van zijn jeugd doorbracht. Turend uit de ramen van het theater breekt hij zich het hoofd over de vraag waar die oude middelbare school van hem is gebleven, tot het tot hem door begint te dringen dat hij zich in zekere zin ín die school bevindt: ze braken de school af en bouwden er een theater overheen.

Het is alsof er een madeleine in de thee wordt gedompeld, want daarna gaan de sluizen in de geest van Donkers open en serveert hij honderden pagina’s lang verhalen uit over de jaren die hij in en rondom Nieuwegein doorbracht. Particuliere verhalen, maar ook over de trends en andere tijdgebonden verschijnselen van de jaren tachtig en negentig: MC Hammer; de Wehkamp- en Neckermann-gidsen; de niet te stuiten opkomst van de Amerikaanse pet.

Flitslicht

Wat voor Donkers Nieuwegein is, dat is Alphen aan den Rijn voor dichter en schrijver Erik Jan Harmens (1970). In Rigolettohof, een nieuw deel van zijn zogeheten Ware Grootte-reeks, keert ook hij terug naar de plek waar hij opgroeide. Harmens is al sinds z’n negentiende geen officiële Alphenaar meer, maar helemaal klaar raakte hij er nooit mee. Het is een bijzonder beeld: Harmens die in het hier en nu ’s nachts tientallen kilometers naar Alphen aflegt en daar z’n auto parkeert voor het huis in de Rigolettohof, zijn straat van vroeger. Met een hoofd vol vage vragen.

School is de vijand, constateert Harmens al vroeg, met al dat gezit en gewacht

Op het tuinhekje zit nog steeds de verf die zijn broer er decennia terug opsmeerde. Het is geen nostalgie die Harmens drijft, want erg plezant was het er niet. Vader en moeder ruzieden veel, waarna vader op een slecht moment het welbekende pakje shag ging halen en nooit meer terugkwam, drie kinderen achterlatend. Alimentatie betaalde hij niet, waardoor de nogal verzenuwde moeder alle zeilen bij moest zetten om het gebroken gezin te onderhouden. Nu zowel vader als moeder zijn overleden acht Harmens de tijd rijp voor een inventarisatie van de vroegere jaren.

Je hoeft geen psycholoog te zijn, laat staan een grote, om te concluderen dat Harmens een getraumatiseerd mens is. Het lijkt zijn ambitie te zijn om met de Ware Grootte-boeken een soort choquerend hyperrealisme te bedrijven. Hij keert herhaaldelijk terug naar nare gebeurtenissen, lardeert zijn verhaal met anekdotes en verhalen over (zelf)moordenaars (over met name Tristan van der Vlis, de man die tien jaar terug een bloedbad aanrichtte in het Alphense winkelcentrum De Ridderhof) en hij biedt weinig relativering, humor of hoop – eigenlijk doet alleen de intense band met zijn broer en zus ‘warm’ aan. Als Harmens zijn bewondering uitspreekt voor Diane Arbus, de fotografe die ook overdag met flitslicht werkte, valt het kwartje: hier wil een schrijver zoveel mogelijk licht werpen op wat niet in de haak was. Alphen in flitslicht, niets blijft in de schaduw verstopt.

Modelfamilie

Ook Donkers is bot, maar wel makkelijker te verteren. In Wat je zaait schrijft hij op de hem kenmerkende manier, tassen vol data opsommend en met zo weinig opsmuk verteld dat hij het je bijna lijkt toe te snauwen. Hij heeft geen enkele zin om er doekjes om te winden. ‘Mocht ik ooit nog weer gaan solliciteren, me op de arbeidsmarkt wagen, schat ik mijn kansen op succes ergens tussen die van een drieënzestigjarige en die van iemand met de voornaam Mohammed.’ Ook heeft Donkers een speciaal advies paraat voor sommige collega-schrijvers. ‘Schrijvers die beweren dat ze nooit lezen, en ook amper gelezen hebben, geloof ik niet, en hun boeken laat ik links liggen. Wie zou zijn brood halen bij een bakker die zelf cornflakes eet?’

Ook zijn roman gaat op zekere hoogte over een ontwricht gezin (‘Iedere week, als ik The Cosby Show keek, stelde ik vast dat we weer iets minder op de modelfamilie Huxtable leken’), maar meer nog over de ontwrichting van een slim kind dat langzaam maar zeker afdaalt op de sporten van het landelijke onderwijssysteem. School is de vijand, constateert hij al vroeg, met al dat gezit en gewacht, en dus is het juist een opluchting om van het gymnasium te worden gestuurd. ‘In dit gebouw bekommerde niemand zich om de Peloponnesische Oorlog, waarschijnlijk had niemand er ooit van gehoord. Het was een verademing, een normaal gebouw, een normale school, niet meer de hele dag die Socrates-bullshit.’ Een voor Wat je zaait kenmerkend citaat, want de strekking van de roman laat zich samenvatten als een Weg nach unten, als een smachten naar een lage(re) plek op de sociale ladder, waar men je eindelijk een beetje met rust laat. De verlokkingen van een eenvoudig, ja zelfs marginaal bestaan zijn vele malen groter dan die van een toekomst als arts of register-accountant. Bij de McDonald’s, waar Donkers patat, pardon ‘friet’, in het sissende vet laat zakken om aan geld te komen, doen ze tenminste een beetje normaal. Het is de apologie van een underachiever.

Ontdekking

Bij beide schrijvers komt ook de ontdekking van de literatuur aan bod. Harmens begon op zijn kamertje met het schrijven van (zeer slechte) poëzie, riep zichzelf daarna toch maar uit tot dichter, werd in 1988 voor een lokale krant als zodanig gefotografeerd op de trappen van De Ridderhof en ‘was’ het daardoor ook opeens. Donkers bleek boeiende verhalen te kunnen schrijven. Een leraar sprak z’n bewondering uit voor die geschiedenis over dat meisje dat in de Lek verdronk. ‘En ik fietste naar huis […] en dacht oké, dan zal dat mijn kunstje wel zijn, mijn gave. Liever was ik zanger geworden, of profhonkballer, maar het is beter dan niets.’ Misschien, want je gunt het deze malende breinen zeer; schrijven over de geschikte manier om die jeukende oude huid, of die nu Alphen aan den Rijn of Nieuwegein heet, definitief af te stropen. Het mocht wel eens voorbij zijn.