Recensie

Recensie Boeken

Maarten Boudry’s pleidooi voor kerncentrales is voorspelbaar, maar zet tegenstanders wel voor het blok

Klimaatfilosofie In zijn boek ontkent ‘verbeterlijke optimist’ Maarten Boudry de dreiging van een klimaatcatastrofe niet. Toch lijkt hij er meer op uit de linkse lezer te pesten.

Foto Getty Images

Wat is het verschil tussen een optimist en een pessimist? De eerste gelooft dat we in de beste van alle mogelijke werelden leven. En de pessimist is bang dat de optimist daar gelijk in heeft.

Toch geeft zulk realisme het pessimisme niet altijd goede papieren. Zeker niet in de klimaatdiscussie, waar menigeen met plezier het gesomber van linkse ‘doemprofeten’ aan de kaak stelt. Wie geen enkele verwachting van de toekomst heeft, opperde aartsoptimist Rutger Bregman al eens, hoeft ook niet in beweging te komen. Dat positieve geluid valt nu bij de filosoof Maarten Boudry (1984) te beluisteren. Een fijn geluid wanneer je zonder schuldgevoel in beweging wilt komen om lekker een weekje op vakantie naar de Antillen te gaan.

Op zich is pessimisme of optimisme niet links of rechts: als iets ons de welvaartsstaat heeft gebracht is het wel het linkse optimisme van de arbeidersbeweging. En ter rechterzijde ontvouwt zich onder de uitslaande vleugels van Minerva’s uilen geregeld een scenario van verval en ondergang. Maar op klimaatgebied bestaan er op links sinds lang wel degelijk meer zorgen en dat gelijk van links wekt aan de overkant soms irritatie.

De Club van Rome en ‘doemdenkers’ zaten er volgens Boudry naast

Hadden de doemdenkers van de jaren zeventig eigenlijk wel gelijk? Kunnen we de dreigende catastrofe van klimaatopwarming niet beter te lijf met de opgestroopte mouwen van een grootscheepse technologie? We kregen immers heel recent in een mum van tijd ook de beschikking over vaccins tegen corona. In Waarom ons klimaat niet naar de knoppen gaat presenteert Maarten Boudry zich net als in eerder werk als een ‘verbeterlijk optimist’, en die zelfkennis siert hem, want er valt nog best iets aan de argumentatie voor zijn positieve houding bij te spijkeren. Daarvoor had hij zelf te rade kunnen gaan bij twee klassieke pessimisten uit de filosofie.

Vijf graden opwarming

Zo gaf Voltaire na de desastreuze aardbeving van Lissabon (1755) met zijn satirische novelle Candide het Verlichtingsoptimisme een genadeloos pak slaag. Terwijl de jonge hoofdpersoon door tegenslag, bedrog en wreedheden wordt verpletterd legt zijn leermeester Pangloss, een persiflage op de filosoof Leibniz, hem onophoudelijk uit waarom al die narigheid logisch is en daarom niet erg. Boudry had zijn voordeel kunnen doen met deze honende karikatuur van het optimisme. Dan had hij het vast geen goed nieuws genoemd dat het laatste rapport van het IPCC niet meer de rampzalige verwachting van vijf graden opwarming tegen het einde van deze eeuw handhaaft.

Later zou de filosoof Schopenhauer Voltaires pessimisme van een metafysisch fundament voorzien. Elk individu kon volgens hem slechts aan de eigen individuele bestaanswil gehoorzamen: de menselijke rede draait ons alleen maar een rad voor ogen. Ondanks alle mooie redeneringen volgt iedereen zijn eigenbelang, want wij zijn dat eigenbelang. Daar voegde hij een morele observatie aan toe: optimisme is een belediging aan het adres van de ontelbare slachtoffers uit de geschiedenis. De andere kant op kijken is één ding, zeggen dat het allemaal meevalt is volkomen harteloos.

Niet dat Boudry zich voortdurend aan dat laatste bezondigt, daarvoor is hij te veel wetenschapper. Hij heeft zich goed ingelezen en ontkent de dreiging van een ophanden zijnde catastrofe niet. Maar zijn boek lijkt er meer op uit de linkse lezer te pesten. De Club van Rome en ‘doemdenkers’ zaten er volgens hem naast, want de wereld bestaat nog steeds dankzij allerlei technische oplossingen. Zure regen, het gat in de ozonlaag, we hebben het allemaal gefikst.

Goed, maar wie agendeerde de problemen zodat men ‘in beweging’ kwam? Uitgerekend de onheilsprofeten van wie Boudry niets moet hebben. Ze zijn volgens hem ook allemaal tegen groei. Waar hij dat vandaan haalt weet ik niet, wel dat groei een complexer begrip is dan toename van het BNP of het louter toepassen van nieuwe technologie zoals bij kernenergie.

Beroerde therapie

Boudry’s pleidooi voor kerncentrales is voorspelbaar, maar zet tegenstanders bij snel verslechterende prognoses over opwarming van de aarde wel voor het blok vanwege de enorme CO2-reductie. Waar een pessimist hier zou proberen met die verontrustende prognoses te overtuigen, doet dit boek dat echter door te smalen over activistische vooroordelen en door twee ernstige risico’s ongenoemd te laten: terroristische aanslagen op kerncentrales en transporten, en proliferatie. Zo kon de Pakistaanse atoomgeleerde Khan dankzij de laksheid van de Nederlandse overheid zijn vaderland aan de atoombom helpen door kennis te stelen van Urenco in Almelo. Optimisten vergeten graag dat die kennis deels ook in Iran, Libië en Noord-Korea terechtkwam.

Dat je de toekomst niet zonder optimisme onder ogen kunt zien en dat pessimisme op fatalisme uit kan lopen, is een goed punt. Pessimisme is een beroerde therapie. Maar als diagnose is het onmisbaar. Het heeft de alarmbellen doen rinkelen en de huidige problemen eindelijk op de agenda gekregen, ondanks het geloof van vooruitgangsdenkers als de Canadese psycholoog Steven Pinker, Boudry’s inspiratiebron, Jaffe Vink (een vlinderdasgestrikte meester Pangloss) en de angry young optimist Rutger Bregman.

In de lijst met literatuur en films aan het einde van Boudry’s boek staat maar één titel met een afwijkend standpunt, een film van Jeff Gibbs en Michael Moore, met het verder niet toegelichte advies die ‘vooral niet’ te bekijken. Wat heb je aan zulke eenzijdigheid? Alsof je twee paar schoenen koopt en bij het uitpakken thuis vier rechter exemplaren aantreft. Het is de vraag hoe ver je daarmee vooruitkomt.