Foto Vincent Mentzel

Interview

Jan Konst over zijn ‘verloren’ generatie: ‘Ik behoor tot de meest geprivilegieerden van de twintigste eeuw’

Hoogleraar Nederlandse letterkunde Mensen geboren tussen 1955 en 1965 behoren tot de Verloren Generatie. Uit het boek Na de revolutie van Jan Konst (1963) blijkt dat het allemaal wel meeviel. „Van mijn generatiegenoten verdient 60 procent meer dan hun ouders.”

Een Opel Ascona op de Boulevard Périphérique in Parijs. Vader rijdt, moeder doet de routebegeleiding. Hier afslaan. Nee, hier! Nu! De ene na de andere sigaret wordt opgestoken, zij Arsenal, hij Caballero. De ramen zijn gesloten tegen de tocht. Op de achterbank zitten vier kinderen, zonder gordel, zwijgend. Onder hun voeten de bagage die niet meer in de kofferbak paste.

Het is de zomer van 1976, een van de warmste van de twintigste eeuw, en de familie Konst uit Baarn gaat voor de tweede keer met vakantie naar Zuid-Frankrijk. Ze hebben vijfentwintig kilo aardappelen bij zich en zeker tien kilo vlees, want dat Franse eten, nee bedankt. Veel te duur en je weet niet wat je op je bord krijgt. Ris de veau? Cuisses de grenouille? Moeder heeft de gehaktballen, de speklapjes en de slavinken in haar eigen keuken bereid, gesteriliseerd en ingeblikt. Hoe zal dat aflopen?

Je leest het in Na de revolutie van Jan Konst, de oudste zoon van het gezin, geboren in 1963, met nog bijna 250.000 andere kinderen in Nederland. Alleen in 1964 waren het er meer. En in 1946 en 1947 natuurlijk, de boomers. Maar daar gaat zijn boek niet over. Na de revolutie – die van 1968 – gaat over de tweeënhalf miljoen kinderen die tussen 1955 en 1965 geboren werden en later de Verloren Generatie zouden worden genoemd. Ze groeiden op in snel toenemende welvaart en kregen als jongvolwassenen in de jaren tachtig te maken met werkloosheid en recessie.

De afslag naar het zuiden wordt gevonden en na een overnachting met diner in de Relais de la Loge langs de A71 – rauwe tartaar en rauw ei, zie je nou wel – is het nog maar 370 kilometer naar het gehucht Paulhiac, waar de familie Konst een boerderijtje heeft gehuurd. Ze hebben genoeg geld om niet meer te hoeven kamperen, zoals het merendeel van al die andere Nederlanders die in de jaren zeventig voor het eerst naar het buitenland gaan, met de aardappelen in de kofferbak. Onderweg zijn ze maar één keer bijna verongelukt: toen vader op een tweebaansweg een vrachtwagen ging inhalen en de beige Citroën Dyane die hun tegemoetkwam niet had gezien. De Dyane week net op tijd uit en eindigde in de berm. Vader reed door alsof er niets gebeurd was. Hij was, zegt Jan Konst, na twee dagen achter het stuur doodmoe en moeder had geen rijbewijs. Vrouwen hadden in die tijd vaak nog geen rijbewijs.

Ober bij Van der Valk

Jan Konst werkt en woont sinds 1994 in Berlijn – hij is hoogleraar Nederlandse letterkunde aan de Freie Universität – maar het gesprek met hem is in Amsterdam, bij een salade in een restaurant naast Artis. Zijn boek is net verschenen, bij een Nederlandse uitgeverij, en zijn dochter van negentien studeert hier. Zijn dochter van zeventien is met hem meegereden en vanavond gaan ze met elkaar eten. De vrouw van Jan Konst, Katrin, is thuis gebleven. Ze is Duitse, maar ze spreekt vloeiend Nederlands. Ze werkt op de Nederlandse ambassade.

Hoe word je hoogleraar Nederlandse letterkunde in Berlijn? Dat staat niet in het boek, want dat eindigt als Jan Konst twintig is en kunstgeschiedenis studeert aan de Universiteit Utrecht. Om geld te verdienen werkt hij als ober bij Van der Valk. Hij vertelt dat hij een grote belangstelling voor de kunst en de literatuur van de zeventiende eeuw had, daarom ging hij ook Nederlandse taal- en letterkunde studeren. In 1993 promoveerde hij op de uitbeelding van gevoelens en emoties in zeventiende-eeuwse tragedies – „ze zijn gevaarlijk, ze moeten in bedwang gehouden worden” – en het jaar daarop werd hij gebeld door de man die toen hoogleraar Nederlandse letterkunde was in Berlijn. Lang verhaal kort: hij erheen en zes jaar later volgde hij hem op.

Waarom wilde hij een boek over zijn jeugd in de jaren zeventig schrijven? Het antwoord op die vraag begint in de kelder van een witgepleisterd huis in Weinböhla, een dorp ten noorden van Dresden, in de deelstaat Saksen, voorheen DDR. Daarin lag het archief van de familie van Katrin, zijn vrouw. „Of nou ja, archief. Zeg maar rommel, zooi.” Briefwisselingen, dagboeken, foto’s, officiële paperassen, zakelijke aktes. Vier kasten vol en deels al meer dan een eeuw oud. Keizertijd, Eerste Wereldoorlog, Weimarrepubliek, nazidictatuur, Tweede Wereldoorlog, communisten, Wende. Zijn schoonmoeder vond het goed dat hij erin ging kijken en dat werd zijn eerste boek voor een groot publiek, De wintertuin, genoemd naar de Wintergarten bij dat huis in Weinböhla. Je weet gewoon niet wat je leest: wat die mensen hebben meegemaakt. Of je weet het natuurlijk wel, want het is het verhaal van alle Duitsers in de twintigste eeuw. Grote welvaart, diepe armoede, morele corruptie, dood en verderf. Maar doordat het allemaal is opgehangen aan dat familiearchief wordt het in De wintertuin zeer persoonlijk. De schoonmoeder van Jan Konst zag als klein meisje Dresden branden en maakte op haar 55ste de Val van de Muur mee. De moeder van die schoonmoeder groeide op onder Wilhelm II en kreeg haar kinderen onder Hitler. De grootvader van die schoonmoeder, geboren in 1871, ging als zoon van een groentekweker naar de universiteit en werd professor aan het gymnasium in Meißen. De achterkleindochter van die professor, Katrin, kon ook naar de universiteit en leeft in welvaart. Jan Konst: „De generaties daartussen, díe waren pas verloren.”

Sabbatical

Door De wintertuin begon hij nog meer na te denken over zijn eigen verleden dan hij altijd al deed. „Jaar, plaats en andere omstandigheden van je geboorte zijn zo bepalend”, zegt hij. „Hoe vrij ben je in je handelen en in hoeverre draag je schuld? Kun je keuzes maken als je de consequenties ervan niet overziet? Dat zijn vragen die me sinds de middelbare school al bezighouden. Ik wilde weten welke factoren mijn leven hebben bepaald, en het leven van mijn generatiegenoten. Je denkt dat je uniek bent, maar je bent het niet. Al die hoogstpersoonlijke ervaringen van je zijn variaties op een en hetzelfde thema.”

Even praktisch. Waar haalt hij de tijd vandaan om die boeken te schrijven? „Als hoogleraar in Berlijn”, zegt hij, „heb ik relatief veel tijd voor studie. En na elke drie jaar heb ik een sabbatical.” En dat is dan niet bedoeld voor de wetenschap? „Jawel, maar ik zie De wintertuin en Na de revolutie als een vorm van toegepaste geesteswetenschap. Ik geloof dat mijn relevantie ook ligt in dit soort dingen. De maatschappij mag dit van mij verwachten.”

Daar komt bij, zegt hij, dat de literatuurwetenschap erg naar binnen is gekeerd. De ene geleerde schrijft voor de andere geleerde en het interesseert mensen buiten de universiteit nauwelijks meer. Het heeft, denkt hij, te maken met de veranderde status van de literatuur. „Mijn generatie,” zegt hij, „heeft op alle manieren de democratisering meegemaakt en de literatuur is ook gedemocratiseerd. Een sleutelmoment was voor mij toen het Sociaal en Cultureel Planbureau in 2013 lezen als vrijetijdsbesteding op één lijn zette met shoppen en het bezoeken van pretparken. Als reactie op dat statusverlies zijn we in mijn vak enorm theoretisch geworden, net als natuurkundigen. Prima, maar ik wilde wat anders.”

En dat wordt in Berlijn geaccepteerd? „Met zulke boeken,” zegt hij, „kun je niet solliciteren op een volgende wetenschappelijke baan. Maar dat hoef ik ook niet. Ik ben oud genoeg om te denken: ik doe wat ik belangrijk vind.”

Op zondag naar de kerk

Zijn nieuwe boek begint met Alleman, de beroemde film van de cineast Bert Haanstra die kort voor de kerstdagen in 1963 in première ging en een geweldig succes werd. Alleman is een groepsportret van Nederlanders dat nu onwaarschijnlijk braaf en eenvormig aandoet. Bijna iedereen gaat op zondag naar de kerk. Bijna alle kinderen worden thuis geboren en later spelen ze altijd buiten. Vaders werken en moeders zijn thuis. Bijna niemand heeft nog een auto. Het aantal televisies neemt snel toe – het miljoenste toestel is eind 1961 aangesloten bij een familie in Deventer – maar er is nog maar één net en het programma wordt elke avond afgesloten met een stichtelijk woord van een predikant of een priester.

Dan begint alles te veranderen. En die veranderingen zie je terug in het leven van Jan Konst. De verhuizing naar een eengezinswoning in een nieuwbouwwijk. De eerste auto. De wegen die worden aangelegd. Het verlaten van de kerk. Hij dan, zijn ouders blijven nog lang devote katholieken. En ja, dat levert veel discussie op. De Katholieke Volkspartij die van vijftig zetels in 1963 naar zevenentwintig zetels in 1972 gaat. Het toenemende onbehagen bij zijn moeder over haar positie in de maatschappij. Haar onvermogen om er wat aan te doen. De onderwijshervormingen. „Ik ben een kind van de Mammoetwet”, zegt hij. „De hbs was afgeschaft, de brugklas werd ingevoerd en we zaten in noodgebouwen omdat er zo verschrikkelijk veel kinderen waren.”

Moeder had de gehaktballen, de speklapjes en de slavinken bereid, gesteriliseerd en ingeblikt

Na De wintertuin dacht hij dat zijn leven en dat van zijn generatiegenoten maar moeilijk interessant te maken was voor de lezer. Geen grote gebeurtenissen, geen harde breuken. Oliecrisis en kernraketten, dat was het wel zo’n beetje. Wat viel daar nou over te vertellen? Hij kwam pas op dreef, zegt hij, toen hij het verhaal over die vakantie naar Paulhiac ging opschrijven. Hij had het dagboek nog dat hij toen had bijgehouden en wat een plezier had hij in de details die erin stonden. En om alles daarover uit te zoeken. Gordels in de auto? Waren alleen voorin verplicht. Aantal verkeersdoden per jaar? Liep op naar drieënhalfduizend. Nu zijn het er zeshonderd, bij drie keer zoveel auto’s. De muziek waar zijn moeder naar luisterde? Édith Piaf en Jacques Brel. Alle veertigers luisterden daarnaar. Het wegrestaurant waar zijn ouders een plastic beker koffie dronken en de kinderen Orangina? Geen bediening meer, zoals voorheen. Buffetten en koelvitrines, en zelf je eten pakken.

In 2018 sprak Jan Konst met NRC over ‘De wintertuin’, een boek waarvoor hij diep in zijn familiearchief heeft gegraven. Dat interview lees je hier.

Club van Rome

De vader van Jan Konst was de zoon van een arbeider en werd zelf onderwijzer. Hij klom op tot manager in de zwakzinnigenzorg. Zijn vier kinderen stegen verder op de sociale ladder, en toch was hij bang dat het zo niet door kon gaan. „Het ís dus wel zo doorgegaan”, zegt Jan Konst. „Van mijn generatiegenoten verdient 60 procent meer dan hun ouders en maar 15 procent maakt mee waar mijn vader voor vreesde: ze moeten met minder genoegen nemen.”

Dus dat de kinderen die tussen 1955 en 1965 werden geboren de Verloren Generatie zouden zijn, dat vindt hij echt onzin. Ja, de werkloosheid begin jaren tachtig was hoog, vooral onder jongeren: meer dan 17 procent. En ja, de inflatie was meer dan 6 procent en de rente was helemaal verschrikkelijk: tot boven de 10 procent. Er zijn sociologen, schrijft Jan Konst in Na de revolutie, die zeggen dat de vijftigers en zestigers van nu blijvend getekend zijn door die ervaring. Maar economen zeggen dat die periode maar kort geduurd heeft en kijk eens hoe goed deze mensen het vervolgens kregen, met hun vaste banen, hun goede arbeidsvoorwaarden en hun pensioenen, hun huizen die enorm in waarde zijn gestegen. „Ik behoor”, zegt hij, „tot de meest geprivilegieerden van de twintigste eeuw. We zijn het tegendeel van verloren.”

En zijn dochters?

„Ik heb geen antwoorden op de verwijten die ze me maken.”

Wat verwijten ze hem?

„De klimaatcrisis. In 1972 hadden we het rapport van de Club van Rome waar het allemaal al in stond. We hebben er niets aan gedaan. Mijn jongste dochter zat gisteren naast me te briesen in de auto. Haar frustratie daarover, haar woede over de ongelijke verdeling van bezit en privileges, het kwam er allemaal uit. En ik ben het helemaal met haar eens. Het is oneerlijk dat jonge mensen geen huis kunnen krijgen. Het is oneerlijk dat de vijftigers en zestigers meer politieke macht hebben dan de generatie van mijn dochters, gewoon omdat ze met zoveel zijn. En politici maar zeggen dat we rustig mogen blijven barbecueën en 180 blijven rijden op de snelweg. Ik was uitgeput toen we in Nederland aankwamen.”

Op rooftocht

Nog even over dat vlees dat zijn moeder mee naar Frankrijk had genomen. Hij begint te gruwen bij de herinnering. En te lachen. Aan het eind van de tweede week begonnen de blikken bol te staan. Was de inhoud aan het gisten? De slager in Baarn had ervoor gewaarschuwd, al zei hij erbij dat het alleen bij hoge uitzondering gebeurde. Bedorven blikvoedsel, nooit eten. De bacteriën scheiden een gif af waar je dood aan kan gaan. De spieren raken verlamd, de ademhaling valt stil. „Mijn moeder dacht dat het zo’n vaart niet zou lopen”, zegt hij. „Dus zette ze de opener op de rand van het meest opgeblazen blik en toen” – hij gooit zijn armen in de lucht – „explodeerde het.” Daarna leek het wel of zijn moeder in een ton met drijfmest was gevallen. Haar haar, haar gezicht, haar kleren, alles zat onder een dikke laag stinkend slijm.

De familie Konst was nog lang bezig geweest om de keuken van het boerderijtje weer een beetje toonbaar te maken. Het plafond hadden ze maar laten zitten. Dat zag daarvoor al bruin van het vuil. Het boerderijtje, gammel en vervallen, was van een oud echtpaar geweest dat kort daarvoor was overleden. Hun spullen stonden er nog, de bedden waren doorgezakt. Mensen namen er toen nog genoegen mee.

Verder was het een geweldige vakantie. Ze hadden grotten en kastelen bezocht. Ze waren op rooftocht geweest in andere verlaten boerderijtjes. Het Franse platteland liep in de jaren zeventig leeg en overal hadden ze oude spullen weggehaald. Potten en pannen. Gereedschap. Boeken en kranten. Een doos met post uit 1915. Toen hield Jan Konst daar al van.