Het spel om de posten en de poppetjes

Kabinetsformatie Met de mogelijke afronding van een nieuw regeerakkoord volgt een nieuwe onderhandelingsfase: de slag om de ministersposten. Hoe werkt dat proces? En wie worden er zoal genoemd?

Premier Rutte wil „echt een ander kabinet”. Eentje „met een andere uitstraling” en met „méér elan”.
Premier Rutte wil „echt een ander kabinet”. Eentje „met een andere uitstraling” en met „méér elan”. Foto ANP

Een Sinterklaaskabinet zal het niet meer worden. Of de formatie voor Kerst zal zijn afgerond is onzeker. En al kan het nog misgaan, met het mogelijk einde van de kabinetsformatie in zicht zullen de partijleiders van VVD, D66, CDA en ChristenUnie zich opmaken voor de laatste fase: de verdeling van de posten en de ‘poppetjes’. Hoeveel ministers en staatssecretarissen kunnen zij binnenhalen? Welke partij krijgt welk departement?

De finale van het onderhandelingsproces is de eigenlijke formatie: de samenstelling van het nieuwe kabinet. Na het werk van de informateurs – het opstellen van een nieuw coalitieakkoord – is de formateur aan zet: opnieuw Mark Rutte – die dan minister-president van zijn vierde kabinet zal worden. Hij gaat met de andere partijleiders de nieuwe ministersploeg samenstellen. Hoe gaat dat in zijn werk?

Rutte herhaalde afgelopen weekend dat er „echt een ander kabinet” moet komen. Eentje „met een andere uitstraling” en met „méér elan”. Juist omdat met dezelfde vier coalitiepartners sleetsheid en verpeste verhoudingen op de loer liggen.

Niet dezelfde bewindslieden dus als de 24 die in oktober 2017 werden beëdigd. Daarvan zijn er weliswaar twaalf voortijdig vertrokken – er zitten inmiddels tien nieuwe gezichten in de Trêveszaal; het verlangen naar frisse buitenstaanders is niet verkleind.

In mei had Rutte als een eerste criterium voor zijn nieuwe kabinet geformuleerd: het zal meer bewindslieden tellen dan het vorige. Door het vanwege ziekte of uitputting wegvallen van meerdere bewindslieden in zijn derde kabinet realiseert de VVD-leider zich dat de werkdruk te hoog is opgelopen. Om de werklast evenwichtiger te verdelen zullen dus meer ministers en staatssecretarissen aantreden.

Belangrijk verschil met de eindeloze inhoudelijke formatiegesprekken: bij de strijd om de kabinetsposten staan de vier partijleiders er alléén voor. Ze werken zonder hun vaste secondant of zijtafels; hebben hooguit ruggenspraak met hun partijvoorzitters.

Als Rutte, Sigrid Kaag (D66), Wopke Hoekstra (CDA) en Gert-Jan Segers (ChristenUnie) zich straks over een nog leeg A4’tje buigen, is het eerste wat ze bespreken: de omvang van de vier partijen. Ministersposten en staatssecretariaten worden naar rato van het aantal Kamerzetels verdeeld. In het huidige kabinet kreeg de ChristenUnie met twee ministers er eigenlijk eentje meer dan ze (5 zetels) verdiende. Met elk 19 Kamerzetels kregen CDA en D66 er allebei vier en de VVD als grootste met 33 zetels partij zes. In de nieuwe verhoudingen zal D66 meer bewindslieden krijgen dan het CDA, want die partij is met 24 zetels aanzienlijk groter dan het CDA.

Dan volgt de verdeling van departementen, in volgorde van belangrijkheid. Na het Torentje – opnieuw voor de VVD – mag D66 het ‘tweede’ departement claimen: Financiën. De kans dat Kaag CDA-leider Hoekstra op die post laat zitten is miniem. Betrokkenen wijzen erop dat bij de verdeling in 2017 toenmalig CDA-leider Sybrand Buma er, met slechts 16.000 stemmen verschil in de verkiezingsuitslag, niet over peinsde om Financiën prijs te geven.

Over het gewicht van de overige ministeries verschillen de meningen. D66 en ChristenUnie hechten meer waarde aan Sociale Zaken, VVD en CDA meer aan Justitie & Veiligheid. Volksgezondheid en Onderwijs zijn bij iedereen populair want in termen van de rijksbegroting reusachtig.

Na de hoofdportefeuilles voor de ‘ministers van’ volgen de ‘ministers voor’: ministers op hetzelfde departement maar met een lichtere portefeuille. Net als bij de staatssecretarissen valt hier te spelen met de inhoud. Wil een partij die de minister van Infrastructuur levert, dat hij of zij zich met Schiphol bemoeit of voorziet men daar juist een politieke bananenschil?

Lees ook het opiniestuk: Mark Rutte moet weg

Als de partijleiders de namen van bewindsliede n hebben volgt het individuele gesprek van iedere kandidaat met de formateur. Daarbij volgt de vaste vraag: moet ik nog iets van je weten dat je toekomstige functioneren in gevaar kan brengen? Denk: gedoe met de fiscus, opgepimpt cv of onbekende buitenechtelijke affaires die publicitair gevoelig kunnen zijn. Parallel laat het ministerie van Algemene Zaken een antecedentenonderzoek uitvoeren – op gedrag, financiële en zakelijke belangen.

Als laatste stap vóór de beëdiging volgt het zogeheten constituerend beraad. Hier staan twee cruciale punten op de agenda. Per departement worden de portefeuilles definitief verdeeld tussen ministers en staatssecretarissen. Bewindslieden kunnen hier nog belangrijke zaken binnenslepen. Zo wist Gerrit Zalm bij de vorming van het eerste Paarse kabinet in 1994 een stringente begrotingsdiscipline aan al zijn collega’s op te leggen: de geboorte van zijn ‘zalmnorm’.

Daarnaast zullen alle bewindslieden zullen zich moeten committeren aan het door hun partijleiders geschreven coalitieakkoord. Vanaf dat moment spreekt de regering ‘met één mond’.