Recensie

Recensie Boeken

Een roman als een koortsdroom met KGB-verhoorkamers, Stalin en kozakken in Oekraïne

Lisa Weeda In een imposante roman van deze Nederlands-Oekraïense schrijfster tuimel je door de tijd, van een paleis naar een KGB-verhoorkamer, van de ene generatie naar de volgende, en naar terreur.

iStock/Getty

Gebalde vuisten, blozende kinderen, glanzende graanschoven: een parade van wakkere burgers trekt op naar de toekomst. Onder een plafond van Sovjetsterren fonkelen de hamers en de sikkels dat het een aard heeft. Maar in een bos begraven haveloze, mishandelde mensen met angst en beven hun enige bezittingen, een naaimachine, een zakje graan, in de zwarte aarde. In Aleksandra, het debuut van Lisa Weeda (1989), tuimel je door de tijd. Het is een roman als een koortsdroom, waarin nachtmerrie op nachtmerrie wordt gestapeld. Vat of grip krijg je er nauwelijks op, het is een maalstroom die zowel de geschiedenis van een gebied als van een familie omvat, van grofweg 1914 tot iets voorbij 2014. Dit imponerende boek vergt veel van de lezer, vooral van een niet erg in de materie ingewijde lezer die woorden als ‘kozak’, ‘koelak’ en ‘kolchoz’ slechts met moeite thuis kan brengen.

Weeda, tot nu toe vooral bekend als regisseur van virtual reality, is Nederlands-Oekraïens. Voor Aleksandra vertrok zij vanuit de geschiedenis van haar grootmoeder, afkomstig uit het gebied van het Donetsbekken dat nu deels de niet internationaal erkende Volksrepubliek Loegansk vormt. Nederlanders zullen de regio over het algemeen alleen kennen van de ramp met de MH17 in 2014 – door Weeda subtiel in de roman verwerkt.

Aan het begin van Aleksandra draagt de oma haar kleindochter op een doek naar huis te brengen. Op de doek borduurde zij alle levenslijnen van de familie, tot aan de laatst verdwenen neef Kolja aan toe. Hij is hoogstwaarschijnlijk vermoord in de oorlog die momenteel in het gebied woedt. Bij de grensovergang aangekomen valt de kleindochter door een gat in de tijd en belandt in ‘het Paleis van de Verloren Don Kozak’. Aldaar wacht haar overgrootvader Nikolaj, dood sinds begin jaren vijftig, haar op. Hij gidst haar door de vele zalen en verdiepingen van het paleis, waar de vloeren gevuld zijn met graan dat verdween onder het bewind van Stalin. Daar waadden ze doorheen, en stuiten, behalve op pracht en praal, op bijvoorbeeld KGB verhoorkamers en metrostations. Af en toe verandert de overgrootvader ook nog eens in een wit hert met een gouden pijl in zijn rug: het symbool van de Kozak die, hoewel gewond, toch fier overeind blijft.

Duizelingwekkend is het, temeer daar aldoor allerlei familieleden uit verschillende generaties opduiken, die allemaal verhalen vertellen. Weeda laat weinig gelegen liggen aan continuïteit. De lezer moet de hoop daarop laten varen, en dan betovert de roman. Al met al ís het nu eenmaal een pot nat, een aaneenschakeling van ellende, oorlog en bittere armoe. Het is in het Donetsbekken van alle tijden.

Het sterkst zijn de passages waarin vanuit kinderen naar de dwaze wrede wereld wordt gekeken. Bij de onteigening van het huis en de grond waar de grootmoeder opgroeide, moet ze een van hun twee paarden aanwijzen om te gaan werken op de staatsboerderij. Zij redt zich met haar verbeelding: ‘Het dier zal een rode sjerp krijgen [...]. Er zal een standbeeld worden opgericht en er zullen plakkaten met afbeeldingen van het paard aan de muren worden gehangen [...] naast die van de grote leiders.’

Weeda laat intussen ook pijnlijk duidelijk zien hoe zelfs de verbeelding door terreur tot stilstand komt. Het moeten opzoeken van de feiten die de roman staven – hoe zat het ook weer in het echt? – nam ik bij het zeer krachtige Aleksandra graag voor lief.