Reportage

Altijd maar weer proberen iets van die kerst te maken

De gedenkwaardige maaltijd Vijf schrijvers over de maaltijd die zij nooit meer zullen vergeten. Deze aflevering: Jannetje Koelewijn.

Illustratie Lynne Brouwer, portret Lumen

Groentesoep, rosbief met andijvie en aardappelen, vanillevla met ananas en slagroom na. „Chocoladevla”, roept mijn oudste broer door de telefoon. „Het was chocoladevla met een walnoot. Of een vlaflip.”

„Vlaflip?”, zeg ik. „We aten nóóit vlaflip.”

„We aten altíjd vlaflip. Eerst rosbief met sperziebonen…”

„Geen sperziebonen. Sperziebonen eet je in de zomer.”

„En wij aten sperziebonen met Kerst. Daarna vlaflip. Vanillevla met chocoladevla en limonadesiroop.”

„Zie je nou wel”, zeg ik. „Je weet niet eens wat een vlaflip is. Een vlaflip is altijd met yoghurt. Zonder yoghurt geen vlaflip. Maar waar ik je voor bel, broer – hoe zat het toen met die fik die jij gestookt had. Weet je dat nog?”

Ik hoor hem grinniken. „Natuurlijk weet ik dat nog. We woonden in Osdorp en…”

„Nieuwendam”, zeg ik. „We woonden al in Nieuwendam. En die fik was in de keuken.”

„Osdorp”, zegt mijn broer. „Ik weet het beter dan jij, want het was mijn fik. Op een keer had ik stiekem de stompjes van de kerstkaarsen mee naar mijn kamer genomen, en lucifers, en poedersuiker, en ik dacht: wat zou er nou gebeuren als ik…” Hij lacht. „Nou, BOEM dus. Heel hard. En een steekvlam. Ik schrok me dood.”

„En moeder was woedend.”

„Ze gaf me drie draaien om de oren. Dan hoeft vader het niet meer te doen, zei ze. En toen kwam vader thuis en die gaf me een pak slaag.”

„Daarna hadden we nooit meer kaarsen bij het kerstdiner.”

„Noem jij rosbief met sperziebonen een kerstdiner?”

„Oké, broer. Kersteten. Maar we hadden wel een heel mooi wit tafellaken met geborduurde bloemen erop. Kleine rode bloemen. En een krans van echte kerstboomtakken aan het plafond.”

„En daaronder zaten we gezellig met elkaar te zwijgen.”

We hadden wel een heel mooi wit tafellaken met geborduurde bloemen erop. Kleine rode bloemen

„Zonder kaarsen. En dat was jouw schuld.”

„Nee, zus. We hadden wel kaarsen en ik kan dat bewijzen, want we deden na het eten altijd een wedstrijdje wie ze het snelst kon uitblazen. Vader deed het dankgebed en zodra hij ‘amen’ had gezegd…”

„O ja”, zeg ik. „Dat is waar ook. Bij de ‘a’ begon jij al te blazen, want je speelde altijd vals. Met Monopoly ook. Jij was de bank en je won altijd.”

Hij grinnikt weer, het klinkt tevreden. „Op een keer waren er een paar kaarsen omgevallen”, zegt hij. „Er was kaarsvet op het tafellaken gekomen en toen had moeder er genoeg van. Het jaar daarna hadden we met Kerst geen kaarsen. Maar dat was maar één keer, hoor.”

Ik bel mijn jongste zus en ze zegt dat het waar is van die wedstrijdjes. Als vader aan het dankgebed begon, haalde onze jongste broer alvast diep adem en ondertussen zat hij door de kieren van zijn ogen naar haar te kijken.

„Jij keek dus ook”, zeg ik.

„Natuurlijk keek ik”, zegt ze. „Ik moest hem in de gaten houden.”

We vragen ons nog even af of onze oudste zuster er ook aan meedeed, maar we denken van niet. En onze middelste broer? En ik? Blies ik mee? Hoe ik het ook probeer, er komt geen enkele herinnering naar boven. Ik zie wel de tafel met dat tafellaken weer voor me, en de kerstkrans erboven, en mijn vader die na het eten uit de Bijbel voorleest, de geboorte van Christus volgens Matteüs. Of volgens Lucas. ‘En zij baarde haar eerstgeboren Zoon, wikkelde hem in doeken en legde Hem in de kribbe, omdat er voor hen geen plaats was in de herberg.’ Mijn moeder zit met een gespannen gezicht tegenover hem en ik vind het opeens zo zielig voor haar. Al die jaren had ze haar best gedaan om er wat van te maken met Kerst en haar kinderen zouden later blijven zeggen dat het haar nooit was gelukt.

Jannetje Koelewijn (62) is redacteur van NRC en schrijver. In 2020 verscheen bij Van Oorschot Fresia’s voor mevrouw Brak.