Opinie

Voetballen met vijf spitsen is er niet meer bij, ook niet in de schaakwereld

Frits Abrahams

Schaken laat zich niet vergelijken met voetbal, hoewel er in de voetballerij weleens van ‘schaakvoetbal’ gesproken wordt. Daarmee bedoelt men het geduldig naar elkaar toespelen van de bal totdat er een opening is gevonden.

Toch wil ik deze verder onvergelijkbare sporten nu even onder één noemer brengen – de noemer van de verdediging. Ik zal voorzichtig zijn, want van voetbal heb ik verstand, van schaken niet. Ik kom hiertoe dankzij een verslag van schaakmedewerker Gert Ligterink in de Volkskrant van de tweekamp in Dubai om de wereldtitel tussen de Noorse wereldkampioen Magnus Carlsen en zijn Russische uitdager Ian Nepomniatsjtsji.

Ligterink ergerde zich aan de drie remises waarmee deze tweekamp begon. „Na een reeks van 17 remises is het hoog tijd dat in een WK-match weer eens een klassiek duel wordt gewonnen”, schreef hij. De laatste winstpartij in een WK vond plaats op 24 november 2016, toen Carlsen won van de Rus Sergej Karjakin.

Al die remises zijn volgens Ligterink te wijten aan „de komst van steeds sterkere computerprogramma’s, die dieper kunnen rekenen dan de menselijke topschakers. Met digitale hulp stellen de teams van beide spelers een op de tegenstander afgestemd openingenrepertoire samen waarin ze amper kunnen worden verrast. Het gevolg is dat in de meeste partijen na de openingsfase een stelling ontstaat waarin de kans op winst minimaal is.”

Deze formulering activeerde de voetballiefhebber in mij. Ook in het huidige topvoetbal wordt steeds meer getracht „de kans op winst” door de tegenstander zo klein mogelijk te maken. Het voorkomen van doelpunten is belangrijker geworden dan het scoren. De verdedigers, per definitie niet de meest creatieve spelers, komen daardoor vaker in balbezit dan de aanvallers.

Die verdedigers hebben ook een numeriek overwicht gekregen. In de jaren vijftig – opa vertelt – heb ik nog meegemaakt dat een elftal bestond uit een keeper, drie verdedigers (twee backs, een stopperspil), twee middenvelders en vijf aanvallers (twee buitenspelers, twee binnenspelers en een midvoor). Later is het spelen met drie, vaak twee, aanvallers normaal geworden.

Op basis van allerlei statistische feiten betreffende de tegenstander instrueert de moderne coach zijn team. ‘Compact verdedigen’ heet dat in trainersjargon, en vervolgens ‘loeren op de counter’. Het leidt tot saaie, vrijwel doelpuntloze wedstrijden.

Marco van Basten klaagde laatst op de zender Ziggo Sport terecht over de manier waarop tegenwoordig veel zwakkere ploegen in de eredivisie Ajax bestrijden. Ze spelen, ook thuis, nog maar met één spits, de rest verdedigt in twee linies het eigen strafschopgebied. Pas in het laatste kwartier schuift zo’n elftal iets naar voren in de hoop dat Ajax zich murw heeft gebeukt. Je zag het ook het Noorse elftal tegen Nederland doen.

„Voor de neutrale toeschouwer is er niets meer aan”, zei Van Basten. Maar de neutrale toeschouwer is in de minderheid en heeft niets te vertellen. Ook bondscoach Louis van Gaal, die vroeger de nadruk legde op de aanval, laat zijn teams sindsdien meer verdedigend spelen. Hij had er op het WK van 2014 in Brazilië succes mee en wil daarom straks ook in Qatar met slechts twee spitsen spelen. En als ‘we’ dus op die manier wereldkampioen worden? Ik geef toe: dan hoort u mij even niet klagen.