Recensie

Recensie Beeldende kunst

Er valt een wereld te winnen met lichtheid en vrijmoedigheid in kunst

Tentoonstelling In de Rotterdamse Kunsthal is het onmogelijk om deze winter chagrijnig rond te lopen. Twintig topwerken van de lichtvoetige Alexander Calder zijn hier verenigd met werk van tien eigentijdse kunstenaars.

Blue Feather (ca. 1948) van Alexander Calder.
Blue Feather (ca. 1948) van Alexander Calder. Foto Stephen White/Calder Foundation, New York / Artists Rights Society (ARS), New York / Pictoright, Amsterdam

Denk aan alles wat vederlicht is: visgraten, houtjes, grassprieten, muizenbotjes, herfstbladeren en paardenbloempluizen. Bedenk vervolgens een perfect evenwicht tussen al die vederlichte dingen. Aan dunne metalen draden dwarrelt alles in de lucht, beweegt op de wind, tekent vormen in de ruimte, vormen die soms piepklein, maar soms ook reusachtig zijn.

Er is maar één kunstenaar die zo verbonden is met lichtheid – met de magie van niets dat iets schitterends wordt, van grapjes over afmeting, vorm, materiaal en het tarten van zwaartekracht – als de Amerikaanse kunstenaar Alexander Calder. Geboren op de rand van de negentiende en de twintigste eeuw en gestorven in 1976, is hij de eerste kunstenaar die het beeld van zijn sokkel haalt, er lichtvoetige mobiles van maakt en primaire kleuren toevoegt. De aandoenlijke vogels en vissen, de circusfiguren, honden en poppetjes die hij als jongetje en jongeman maakt van ijzerdraad, gevonden schroot en stronken hout, laat hij varen als hij in 1930 kennismaakt in Parijs met Piet Mondriaan. Die kennismaking omschrijft Calder als een blikseminslag. Hij begint abstracte mobiles te maken en stabiles, zoals zijn vriend Marcel Duchamp zijn staande, vaak monumentale beelden noemt.

Op de tentoonstelling Calder Now in de Rotterdamse Kunsthal, is het onmogelijk om chagrijnig rond te lopen. Want wat een vrijmoedigheid stralen de twintig werken van Calder uit, die zijn samengebracht door de Calder Foundation in New York. En met die vrijmoedigheid – waarvan je je beseft dat ze nog kón in de eerste helft van de twintigste eeuw omdat alles nog nieuw gemaakt kon worden – overvalt je ook een zekere melancholie. Wat was er nog veel toekomst te winnen.

Birthday Cake (1956) van Alexander Calder.

Foto Tom Powel/Calder Foundation

In 2012 organiseerde Doede Hardeman van het Kunstmuseum in Den Haag een lastig te overtreffen, nagenoeg compleet overzicht van Calders werk. De huidige tentoonstelling Calder Now kan daar niet aan tippen, maar dat ligt niet aan het werk van Calder. De twintig werken geven een goed overzicht van het werk van de luchtkunstenaar, ontstaan in de laatste veertig jaar van zijn leven. Daarbij krijgen de werken – broodnodig bij Calder – lekker veel ruimte.

Zo komt de nog steeds geweldige, grote én verfijnde mobile Descending Spines (1956) perfect tot haar recht. Twee zwart geverfde metalen cirkels (één van het formaat soeplepel, de ander paplepel) vormen het contragewicht van sierlijke metalen sprieten, draden en knoopjes.

Lees ook: Luchttekenaar Alexander Calder: de man die wind tot kunst verhief

Geen speelgoed

Ook niet overbekende werken zijn aanwezig, waaronder een slungelig knalrood beeld Sphere Pierces by Cylinders (1939) en – het vroegste beeld op de tentoonstelling – een motorisch aangedreven maquette voor de Wereldtentoonstelling van 1939 in New York. Helaas mag je het motortje van de maquette niet bedienen, waardoor de staande, abstracte en fel geschilderde halve cirkels, de van oud metaal opengeknipte spiraal en het rode met gele vierkant, stokstijf staan. Vanaf 1964, op het grote Calder-retrospectief in het Guggenheim in New York, is het aanraken van zijn mobiles en beelden taboe. De kunstenaar was het geduw en getrek aan zijn werk beu. Zijn werk mag er dan wel speels uitzien, speelgoed is het niet. Daarvoor zijn de onderdelen te fragiel.

Red is Dominant (1947) van Alexander Calder.

Foto Tim Nighswander/IMAGING4ART/Calder Foundation

De reden dat Calder Now niet overtuigt, en zelfs een beetje vervreemdend is, is de selectie van de hedendaagse kunstenaars door de Oostenrijkse gastcuratoren Dieter Buchhart en Anna Karina Hofbauer. Het tweetal heeft zo’n beetje alle criteria die in de beeldende kunst gelden, toegepast op het werk van Calder. En zo wordt Calder ‘performance’ als de Japanse Aki Sasamoto een performance doet met schuivende wandpanelen. Zo valt Calder in de categorie ‘geluid en wetenschap’ bij een lawaaierige keuze voor de Duitse Carsten Nicolai, terwijl Nicolai juist de subtiliteit van Calder mist. Zo hoort Calder ook bij ‘vergeten technieken’ en staat er van Simone Leigh – de Amerikaanse inzending voor de Biennale van Venetië komend jaar – een weliswaar schitterende keramische en zout geglazuurde buste (Titi, 2021), maar met Calder heeft dit politieke werk weinig relatie.

Voor een mooie, korte film over het werk van Calder, zie Hans Richter:

Mager

Van de kunstenaars van wie je meteen denkt ‘ha, die klopt’, is er bovendien soms zwak gekozen. De Zwitserse Roman Signer bijvoorbeeld, experimenteert zijn leven lang al met vallen, door het ijs zakken, met waterkracht en ontploffingen. Maar in de Kunsthal is hij aanwezig met een grote, verbogen orgelpijp die over een schraag staat geknakt, en een wit overhemd aan een ballon. Dat is mager voor een kunstenaar die zoveel verwantschap heeft met Calder.

It Happens When the Body is Anatomy of Time (2000) van Ernesto Neto. National Galleries of Scotland

Foto John McKenzie

Er zijn twee kunstenaars die er wel in slagen om iets van de magie van Calder over te brengen. Dat is de Braziliaan Ernesto Neto, die een ruimte goudgeel vult met reusachtige soort van olifantpoten van pantystof. De voeten van de pilaren zijn gevuld met sterk geurende kruidnagel, safraan en komijn. It Happens When the Body is Anatomy of Time (2000) is groots én efemeer, zoals de mobiles van Calder dat zijn.

Ook de Poolse Monika Sosnowska demonstreert een geloofwaardige verwantschap met Calder. Sosnowska toont drie reusachtige hangende, abstracte beelden. Gate 2, 3 en 4 heeft ze in 2014 in de Calder-residentie in het Franse Saché ontwikkeld. Het zijn beelden die eruitzien alsof een kolchoz-tractor over fabriekspoorten, speeltuinen, bushokjes en ander Oostblok-straatmeubilair is gereden. Bij Sosnowska zijn de verfrommelde resten in een strak, knallend gekleurd jasje gestoken en opgehangen aan het plafond. Daar rusten ze, als overblijfselen van een totalitair systeem, lichtvoetig, grimmig maar ook hoopvol. Hun deuren, kieren, scheuren staan open naar een toekomst waarvan nog veel te verwachten is.

The lost compass (2013) van Olafur Eliasson. Foto Jens Ziehe/Photographie