Opinie

Verwacht

Ellen Deckwitz

Zaterdag belde ik een bevriende dichter, die corona bleek te hebben. „Ik baal enorm”, kreunde hij. „Ik loop nu zoveel werk mis. Telkens wanneer het aantal besmettingen de verkeerde kant opgaat, krijg ik vanuit allerlei hoeken de vraag om er een gedicht over te schrijven, of om per Zoom voor te dragen.”

Ja. Je kan er inmiddels de klok op gelijk zetten: zodra het slecht gaat met de pandemie, klinkt de roep om poëzie.

„Men denkt nog steeds dat een gedicht kan troosten”, kuchte de dichter. „Dat het de ideale stoplap voor onmacht is. Waardoor de verwachtingen zo hoog gespannen worden dat geen enkel vers ze nog kan inlossen.”

„Grappig”, zei ik. „Aan de ene kant eist men van gedichten troost, aan de andere kant associeert men poëzie nog steeds met nodeloos gezweef, moeilijkdoenerij en theekransjes. Als ik vroeger in de kroeg vertelde dat ik gedichten schreef, werd ik uitgelachen.”

„En alsnog wil men haar als het slecht gaat als hart onder de riem”, grinnikte de dichter, waarop hij een hoestbui kreeg en we maar ophingen. De rest van de dag piekerde ik een beetje over dat dubbele imago van de dichtkunst: zowel verheven als belachelijk. En waarom er in tijden van nood toch zo’n behoefte aan is.

Misschien komt dat juist doordat ze nooit echt serieus wordt genomen. Over geen enkele tekstsoort wordt zo weinig ruzie gemaakt als over poëzie. Waar een column, essay of lezing tot woedende tweets of zelfs bedreigingen kan leiden, lopen door gedichten de gemoederen zelden hoog op. In het universitaire circuit is er af en toe een storm in een glas water, maar de meeste mensen halen er de schouders over op. Je hoeft het niet serieus te nemen, het is maar poëzie, het legt je niets op. Misschien dat er daarom in onzekere tijden zo’n behoefte aan is.

Ik nam een bundel van de Amerikaanse dichteres Mary Oliver erbij. Niet elk gedicht was raak en ik wilde het werkje al bijna weer wegleggen, tot ik op de volgende regels stuitte: ‘Wie je ook bent, hoe eenzaam ook, / de wereld doet je verbeelding een voorstel, / roept naar je... / kondigt keer op keer je plek aan / in de familie der dingen’. Wauw. Dat de wereld, hoe beperkt hij soms ook lijkt, je toch uitnodigt om je verbeelding erop los te laten. Omdat, hoe geïsoleerd je je soms ook kan voelen, je er ook deel van uitmaakt.

Enthousiast belde ik de zieke dichter op en ik vertelde hem dat ik door er niet meer op te rekenen, alsnog door een gedicht werd verrast.

„Ah”, humde de dichter tevreden. „Om het maar met Bloem te zeggen: ‘Alles is veel, voor wie niet veel verwacht.’ En zo is het.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.