In de matinee is van alles mogelijk, thuiswerken kan ’s avonds ook nog

Achtergrond | Middagvoorstellingen Nu de filmtheaters ’s avonds gesloten zijn, is het tijd de matinee in ere te herstellen; de middagvoorstelling met eigen idolen, monsters én publiek.

In ‘Matinee’, een eerbetoon aan de monsterfilms waarmee regisseur Joe Dante opgroeide, banjert een ‘Mant’ de bioscoop binnen. Gekrijs gegarandeerd.
In ‘Matinee’, een eerbetoon aan de monsterfilms waarmee regisseur Joe Dante opgroeide, banjert een ‘Mant’ de bioscoop binnen. Gekrijs gegarandeerd. Foto Alamy Stock

Stupendous! Colossal!! Gigantic!!! Met grote woorden verschijnt de trailer van het fictieve ‘Flames of Passion’ op het filmdoek. Het is 1945 en we zitten in een andere film: Brief Encounter van David Lean, een van de mooiste onmogelijke liefdesverhalen die er zijn. Hoofdpersonen Laura en Alec nemen plaats op het bioscoopbalkon. Buiten is het nog licht, maar hier in de zaal is het donker.

Een wakkere droom. Ze zijn opgewonden als kinderen in afwachting van het spektakel dat komen gaat. En ze zijn ook opgewonden als tieners die een eerste liefde beleven; de bioscoop is de enige plaats waar ze terwijl het licht dimt en de film begint elkaars nabijheid kunnen voelen. Maar ze zijn geen kinderen. Laura en Alec zijn beiden getrouwd, maar niet met elkaar. De trailer van ‘Flames of Passion’ wordt gevolgd door een reclame voor kinderwagens.

Nu de bioscopen ’s avonds weer dicht zijn, is het tijd om de middagvoorstelling in ere te herstellen. Misschien om verliefd te worden, al is het maar op een film. Maar vooral om te herinneren welke rol de matinee in de filmgeschiedenis speelt. In tijden van crisis was de matinee namelijk niet alleen de redding van de bioscoopcultuur (goedkope kaartjes die bij elkaar opgeteld een hoop geld in het laatje brachten), maar ook voor de eenzame zielen die er hun toevlucht zochten. Op het hoogtepunt van de Amerikaanse crisis van de jaren dertig werden er thuis- en werklozen oogluikend toegelaten die even een paar uur warm en droog wilden zitten, of slapen. Als ze maar niet te veel overlast veroorzaakten.

Eigenaren speelden daarop in door overdag tickets voor een paar cent te verkopen, en Hollywood produceerde escapistische genres van westerns tot musicals als The Wizard of Oz (1939). De middagvoorstelling was de plek voor een speciaal type film, dat in de jaren twintig en dertig ‘matinee idols’ voortbracht: mannelijke sterren als Errol Flynn en Rudolph Valentino, door een dwepend, voornamelijk vrouwelijk publiek aanbeden om hun elegantie en charme. En in de jaren veertig tot zestig ‘matinee monsters’ uit de lowbudgethorrorfilms waarbij kinderen zonder ouderlijk toezicht leerden griezelen.

Matinee idol

De ‘matinee idol’ is oorspronkelijk een term uit het theater, prachtig beschreven in het semi-autobiografische toneelstuk Long Day’s Journey Into Night (1956) van Eugene O’Neill, die de zoon van een acteur was. Daarin beschrijft de aan morfine verslaafde moeder van zijn alter ego in een half delier hoe ze ooit als meisje voor zijn vader viel: zo zachtmoedig en toch zo mannelijk dat ze al haar dromen om non of concertpianist te worden op slag vergat. Er is een goede reden waarom de Chinese regisseur Bi Gan een paar jaar geleden zijn film ook Long Day’s Journey Into Night noemde, want hoewel geen directe verfilming van Eugene O’Neill, kent zijn Long Day een vergelijkbare koortsige scène waarin de hoofdpersoon Luo Hongwu in een bioscoop in slaap valt en ons dan meeneemt op een bijna een uur durende 3D-ervaring in één take. En net als in O’Neills toneelstuk gaat ook deze film over de spoken van verleden en familieleden. Het moment waarop Luo zijn 3D-bril opzet en wij in het publiek worden uitgenodigd datzelfde te doen is een fenomenale manier om de grenzen tussen film, droom en werkelijkheid te laten vervloeien en tegelijkertijd opgloeien in het nachtelijke neonlicht van de film.

Het heeft iets troostrijks om vanuit een bioscoopzaal naar een film te kijken waarin mensen in een bioscoop zitten: een droste-effect van verbinding

Niet alleen David Lean en Bi Gan brengen een eerbetoon aan de bioscoop als veilige schuilplaats voor de verbeelding. Er zijn honderden voorbeelden, van het klassieke moment in Jean-Luc Godards Vivre sa vie, waarin de tranen van Anna Karina overvloeien in de tranen van Dreyers Jeanne d’Arc die ze op het bioscoopdoek ziet tot meer recentelijk Quentin Tarantino’s Once Upon a Time in Hollywood als Margot Robbie als actrice Sharon Tate een film gaat kijken waarin ze zelf heeft gespeeld. De filmgeschiedenis is dol op verdubbelingen en Hollywood kijkt het liefst naar zichzelf. Maar het heeft ook iets troostrijks om vanuit een bioscoopzaal naar een film te kijken waarin mensen in een bioscoop zitten. Een droste-effect van verbondenheid.

Pas echt ‘stupendous’, ‘colossal’ en ‘gigantic’ is Joe Dantes film Matinee (1993). Tegen de achtergrond van de Cubaanse rakettencrisis speelt acteur John Goodman als B-filmproducent Lawrence Woolsey, losjes gebaseerd op filmmaker William Castle, in de jaren vijftig grootleverancier van snelgemaakte genrefilms met gimmicks als door de zaal vliegende skeletten of vibrators in bioscoopstoelen.

Matinee is een eerbetoon aan de monsterfilms waarmee Dante opgroeide. „Voor de kinderen in Key West, Florida was er niets enger dan een ‘monstermatinee”, aldus Dante. Ook Matinee is dus een film over film, met een hoofdrol voor een Man-ant, half mens, half mier. Woolsey haalt de ene na de andere stunt uit om reclame te maken voor zijn film ‘Mant’, die halverwege in het echt de bioscoop binnen banjert. Gekrijs gegarandeerd: dat is nog eens het doorbreken van de vierde wand.

Een middagje in een van de vele bioscopen die de komende weken bezoekers hard nodig zullen hebben is nu minder gevaarlijk en opwindend dan bij Joe Dante. Maar het kan minstens net zo fantastisch en romantisch zijn als in de honderden films waarin de bioscoopdeur op een kier wordt gezet om hun hoofdpersonen voor even te laten versmelten met de bezoeker. In de matinee is van alles mogelijk. Thuiswerken kan ’s avonds ook nog.