Reportage

Gooi de naoorlogse wijken op de schop en je krijgt er een miljoen woningen bij, zegt deze architect

Woningnood Bouwen in het groen om het woningtekort op te lossen? Niet nodig, vindt architectenbureau KAW Architecten. Een fikse renovatie van naoorlogse wijken kan ook uitkomst bieden.

Herinrichting van de Rotterdamse wijk Het Lage Land levert volgens KAW architecten veel extra woningen op.
Herinrichting van de Rotterdamse wijk Het Lage Land levert volgens KAW architecten veel extra woningen op. Foto Irvin van Hemert / ANP

Waar de één aan de rand van de Rotterdamse jarenzestigwijk Het Lage Land een verlopen benzinestation ziet, ziet architect Reimar von Meding een goede locatie voor 150 nieuwe woningen. „Nederland telt 850 van dit soort benzinepompen in en bij woonwijken. Als iedereen over tien jaar elektrisch rijdt, zijn die verdwenen. Op de vrijgekomen ruimte kun je een stad bouwen ter grootte van Almere.”

Of neem de ruime eengezinshoekwoningen elders in de wijk. Veel van de bewoners zijn ouderen die best kleiner willen wonen, maar geen geschikte woning kunnen vinden, weet Von Meding. Zijn architectenbureau, KAW architecten in Rotterdam, deed onderzoek naar de mogelijkheden van woningbouw in naoorlogse wijken. „Dus blijven ze zitten in hun te grote, slecht geïsoleerde huis. Als je die woningen uitbouwt en dan splitst, krijg je niet één woning van 120 vierkante meter, maar twee energiezuinige en comfortabele woningen van 90 vierkante meter. In de ene kunnen de oorspronkelijke bewoners blijven wonen, lekker in hun eigen buurtje, de andere is ideaal voor een jong gezin.”

Zoals Het Lage Land zijn er minstens 1.800 wijken in Nederland: gebouwd tussen pak ’m beet 1945 en 1980 om de bevolkingsgroei te kunnen opvangen. Wat die veelal ruim opgezette wijken kenmerkt: er is ruimte genoeg om er heel veel nieuwe woningen te bouwen. Eigen onderzoek van KAW – onder de noemer ‘Ruimte zat voor de nieuwe stad’ – noemt zelfs een miljoen nieuwe woningen.

„Dat is voor de komende decennia meer dan genoeg om in de totale Nederlandse woningbehoefte te voorzien”, bezweert Von Meding. „En dan hebben wij om praktische redenen alleen naar corporatiewoningen gekeken, omdat die makkelijker als geheel zijn aan te pakken. Bouw je in de naoorlogse wijken, dan is bouwen in het groen – waar iedereen het over heeft – helemaal niet nodig.” Het landelijke tekort bedraagt op dit moment rond de 280.000 woningen, zo berekende het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) deze zomer.

Lees ook: Hoe de overheid zelf de woningnood creëerde

Luchtfietserij

Voor Von Meding is duidelijk waar de kansen liggen. Maar Friso de Zeeuw, voor zijn emeritaat hoogleraar gebiedsontwikkeling aan de TU Delft, vindt de ideeën van KAW luchtfietserij. „Alle beetjes helpen, en er is best ruimte in de naoorlogse wijken. Het woningaanbod vernieuwen, de wijken vergroenen en klimaatbestendig maken: het is allemaal noodzakelijk. Maar één miljoen woningen erbij alleen in deze wijken? Dat is krankjorum en volstrekt buiten de realiteit. Je mag blij zijn als je er honderdduizend woningen kunt realiseren.”

De Zeeuw wijst ook op de praktische bezwaren. „Het is duur en moeilijk om in bestaande wijken te bouwen. De ervaring leert dat bewoners zich massaal verzetten tegen extra woningen in hun buurt, verdwijnen van groen en wat zij zien als aantasting van hun woonomgeving. Dat heeft lange juridische procedures als gevolg. En denk aan de infrastructuur voor al die extra woningen. Dat kost klauwen met geld.”

Dat idee om woningen te bouwen op de plaats van overbodige benzinepompen is leuk, vindt hij, maar daar ligt ook nog een flinke saneringsopgave. „Niemand weet precies wat daar in de grond zit.”

De Zeeuw stelt vast dat het onder architecten en stedenbouwkundigen in de mode is de oplossing van de wooncrisis te zoeken in de bestaande stad. „En het klopt dat de stad nog ruimte biedt. Maar je kunt en moet er niet alles in willen proppen. Het is niet het ei van Columbus. Bouwen in het groen blijft noodzakelijk.”

Voor de goede orde: Von Meding pleit er niet voor ieder hoekje en gaatje in de naoorlogse wijken vol te plempen met huizen. Ook grootschalige sloop acht hij onnodig. „Je moet wel verdichten en hier en daar wat slopen”, zegt hij, maar de oplossing ligt vooral in betere benutting van de beschikbare ruimte, bouw van andere woningtypes en aanpassing van bestaande woningen. „Met uitbouwen, splitsen, optoppen en vernieuwen kom je heel ver.”

Oud-bewoner van Het Lage Land Hildegard van Baardewijk-Stahl (l) met architect Reimar von Meding. Foto Johan Nebbeling

Mooie herinneringen

In Het Lage Land laat Von Meding de mogelijkheden zien. In de wijk wisselen eengezinswoningen en lage flats elkaar af, huur en koop. Daartussen is veel groen in de vorm van grasveldjes en bosschages. Een winkelcentrum, een zorgcentrum, twee kerken en nog wat onbestemde bebouwing. De wijk werd ontworpen door Lotte Stam-Beese, zo’n beetje de oermoeder van de Nederlandse wederopbouwarchitectuur.

Op straat spreekt Hildegard van Baardewijk-Stahl (81) de architect aan. Ze heeft in Het lage Land als jonge moeder een heerlijke tijd gehad. „De wijk was nieuw, we kwamen allemaal van elders, er waren de eerste tijd weinig voorzieningen en we waren allemaal op elkaar aangewezen. De huizen waren ruim en mooi en de kinderen konden overal spelen. Ik heb zulke mooie herinneringen!”

Von Meding hoort het glimlachend aan. Als ze haar weg heeft vervolgd, bevestigt hij: „Het Lage Land was ooit de perfecte woonomgeving voor de kinderrijke gezinnen waarvoor dit soort wijken werd ontworpen.” Maar, voegt hij er aan toe: wat toen werkte, werkt nu niet meer. „De samenleving is veranderd en dit soort wijken sluit daar niet meer op aan. Er zijn tegenwoordig bijvoorbeeld veel meer een- en tweepersoonshuishoudens dan gezinnen met kinderen en voor hen is veel te weinig woonruimte beschikbaar.”

Daarbij: ook de naoorlogse wijken moeten klimaatbestendig worden en bijvoorbeeld vaker voorkomende zware hoosbuien kunnen verwerken. Wijzend op een onwaarschijnlijk brede stoep onder een flatgebouw van tien verdiepingen: „Dit is zo aangelegd zodat de kinderen er lekker konden spelen. De huisvrouw kon vanuit de keuken een oogje in het zeil houden. Maar de kinderen van nu zitten thuis achter hun tablet en de huisvrouw is een werkende moeder geworden. Die brede stoep heeft geen functie meer. Je kunt een groot deel ervan herinrichten als echt goede groenvoorziening en wateropvang. Dat maakt de buurt mooier, en het is nodig om de gevolgen van de klimaatverandering op te vangen.”

Vitaliteit terug

Modernisering, vergroening en bijbouwen van honderdduizenden woningen zal de aanblik en het karakter van de naoorlogse wijken veranderen, weet Von Meding. „Maar is dat erg? In onze visie niet. Buurten als deze worden er alleen maar mooier en beter van. Vernieuwing en nieuwbouw trekken ook nieuwe bewoners die de wijk zijn vitaliteit teruggeven.”

Maar als hij zijn ideeën de wereld instuurt, ontmoet hij veel weerstand van cultuurhistorici, architecten en stedenbouwkundigen. Die vinden dat vernieuwing de museale waarde van de wederopbouwarchitectuur aantast. „En dus zou je er niets aan mogen veranderen”, foetert Von Meding. „Maar in een museum kun je niet wonen. Juist om de naoorlogse wijken te behouden en toekomstbestendig te maken, moet je vernieuwen.”