Minder kopen klinkt zoveel makkelijker dan het is

Consuminderen Een interessant gedachte-experiment, vond het boek Stoppen met shoppen, maar ze werd er alleen maar moedeloos van. Toch valt er wat van te leren.

Illustratie Laura Langerak

Met enige regelmaat bespringt me het gevoel dat we met de hele mensheid in een trein zitten op weg naar een afgrond waar we, samen met een groot deel van de nu nog levende dieren- en plantensoorten, instorten als we niet ingrijpen, en dat niemand weet waar adequaat ingrijpen uit zou moeten bestaan. Het klimaat verandert sneller dan onderzoekers verwacht hadden. We verbruiken te veel grondstoffen. We kappen de bossen, vissen de oceanen leeg en martelen talloze kippen, koeien en varkens waardoor die samen te veel broeikasgas en mest produceren voor ze gruwelijk aan hun einde komen. En we doen dat allemaal doordat we met z’n allen in de rijke landen veel te veel eten en kopen en reizen.

Dus ja, het boek Stoppen met shoppen van de Canadese journalist J.B. MacKinnon sprak mij aan, want shoppen, kopen, consumeren, maakt een groot deel van die trein uit, misschien wel het hele onderstel inclusief wielen.

Maar ik kwam somberder uit dat boek dan ik erin ging. MacKinnon zegt dat hij wil onderzoeken wat er zou gebeuren als de wereldwijde consumptie-uitgaven met 25 procent zouden dalen. Wat verandert er? Hoe passen mensen zich aan? In wat hij zijn gedachte-experiment noemt, eindigt dat („na de economische ineenstorting die onvermijdelijk lijkt”) niet „met de wereld die plichtsgetrouw weer naar de winkelcentra marcheert”, maar „organiseren we ons leven rond nieuwe prioriteiten en bedenken we andere bedrijfsmodellen voor een mondiale cultuur die haar verlangen om te consumeren is kwijtgeraakt”.

Dat klinkt mooi, maar ik geloof het niet. Uit de rest van het boek blijkt dat de kans klein is dat het zo zal gaan, áls het al lukt om te ‘stoppen met shoppen’ – MacKinnon schrijft zelf keer op keer dat we dat niet kunnen. Hij presenteert consumeren als een verslaving, en als we ermee stoppen, dan stort de economie in. „Welke kant we ook op gaan, we zijn verdoemd”, schrijft hij tegen het einde van het boek. Om het dan in de epiloog toch nóg eens te proberen: laten we dan alleen in de rijke landen de consumptie met 5 procent verminderen, in plaats van 25 procent. MacKinnon zwaait even hard heen en weer tussen hoop en vrees als animatieserie-antiheld Homer Simpson die aan een sloopkogel geplakt tussen ‘a rock and a hard place’ slingert.

Lees ook: Bij wie begint een beter milieu nou echt?

MacKinnon kan zélf niet eens stoppen met shoppen. Toen hij met dit boek begon, ging hij méér kopen, hij wilde allemaal duurzame spullen hebben (ethische jeans, een dure bezem, een klassiek scheermes). Hij is de halve wereld overgevlogen voor consuminder-onderzoek: naar Japan, Finland, Ecuador, Namibië. In de Kalahariwoestijn ontmoette hij een jager-verzamelaar die heus ook wel tv heeft gekeken en in auto’s gereden, maar die ervoor kóós om terug te gaan naar zijn dorp. Daar maakt die nu weer zijn eigen boog en gifpijlen van hout, gras, antilopepezen en kevergif, zodat hij zelfgevangen koedoe gestoofd in wilde groenten kan eten.

Nou, de mammoetjager bij mij thuis op de bank is amper terug te krijgen naar het platteland waar hij is opgegroeid, waar maar één keer per dag een bus komt en als je die mist, kom je er niet meer vandaan. De romantiek van de een is de valse romantiek van de ander.

Heb ik dan niks geleerd uit Stoppen met shoppen? Jawel, ik heb er van alles uit geleerd, hier volgt een selectie. Het is een heel interessant boek. En hopelijk zijn er mensen die er minder moedeloos van worden.

1. We verbruiken drie aardes

Als iedereen leefde als de gemiddelde Nederlander, schrijft MacKinnon, dan zouden we voor die levensstijl drie planeten aarde nodig hebben aan grondstoffen. Amerikanen gebruiken vijf aardes, Chinezen ruim twee, Afghanen een halve; de hele mensheid gebruikt gemiddeld 1,7 aardes. De cijfers komen van het Global Footprint Network, dat berekend heeft dat de mensheid in 1970 voor het laatst aan één aarde genoeg had. Het goede nieuws is dat er nog steeds hoogontwikkelde landen zijn die maar één planeet aarde nodig hebben, zoals Indonesië, Egypte en Ecuador. MacKinnon verzwijgt het slechte nieuws: de mensen zijn daar een stuk minder gelukkig dan in Nederland of Canada.

2. ‘Groener shoppen’ helpt amper

Minder ‘shoppen’, minder kopen, is best een radicaal voorstel. De consumptie stijgt al tientallen jaren; ook nu steeds meer mensen inzien dat die groei onhoudbaar is, is die nergens ter wereld afgenomen, schrijft MacKinnon. Mensen in rijke landen zijn wel ‘groener’, ‘duurzamer’ gaan shoppen. Op zich goed, want als we dat niet deden, verbruikten we nóg meer grondstoffen en stootten we nóg meer CO2 uit. Maar ons consumptietempo stijgt nog steeds. Minder spullen kopen en meer ‘ervaringen’, zoals reizen, helpt ook niet: juist door dat te doen hebben millennials een grótere ecologische voetafdruk dan eerdere generaties, aldus MacKinnon. Een reis kopen is ook shoppen. Trouwens: airconditioning ook, internet gebruiken ook.

3. Je kunt niet ‘goed’ van je geld af

Stel dat de rest van de wereld of de mensen om je heen nog niet veel minder gaan shoppen, maar jij wel (op zich al een luxekeuze, zegt een econoom in het boek, want als we het allemaal zouden doen, stort de economie in). Dan zijn er maar heel weinig manieren om het geld dat je overhoudt uit te geven zonder dat het alsnog slecht is voor het milieu. Schulden aflossen, geld geven aan mensen die hun basisbehoeften nog niet kunnen vervullen of aan goede doelen die grondstoffen beschermen – dan heb je het wel gehad. Dat komt door rebound-effecten: als je van je geld bijvoorbeeld een taalcursus doet, geeft je docent haar loon misschien wel ‘verkeerd’ uit. En als je minder gaat werken om te voorkomen dat je geld zich ophoopt bij een bank die het ‘verkeerd’ investeert, zal je baas iemand extra in dienst nemen die zijn geld ‘verkeerd’ uitgeeft. Misschien kun je het geld dat je overhoudt maar het beste verbranden. „Veel oudere culturen begrepen dit”, schrijft MacKinnon, „en vernietigden van tijd tot tijd doelbewust hun rijkdommen” door ze te offeren aan goden of te begraven met de doden.

Lees ook: Je oude kleding? Die kan zomaar eindigen als de isolatie in een auto

4. Niet iedereen wíl simpel leven

MacKinnon is duidelijk erg gecharmeerd van versobering, ook zonder meteen jager-verzamelaar te willen worden. Hij schrijft bewonderend over Japanse familiebedrijven die niet op groei gericht zijn maar op kwaliteit en tevreden klanten. Hij schrijft verlangend over het Japanse eiland Sado, waar de economie zo lekker klein en traag is, met minder werk en minder spullen, en waar veel kapots wordt opgelapt. En over Japan in het algemeen, met zijn krimpende bevolking en economie; veel jongeren trekken er naar het platteland. Maar hij ziet ook in dat dat niet iedereen zou bevallen. Veel mensen „kunnen goochelen met een tijdschema dat uit zijn voegen barst van de activiteiten, maar kunnen niet lang rustig stilzitten zonder onrustig te worden”, schrijft hij. En: „Veel mensen die versobering uitproberen, vinden het een zware en eenzame weg en geven al snel op.” Dus je krijgt niet iedereen vrijwillig mee. (In Japan zijn mensen gemiddeld trouwens óók een stuk ongelukkiger dan in Nederland of Canada.)

5. Minder kopen schaadt mensen

Mensen in arme landen maken veel van de spullen die mensen in rijke landen kopen. Als mensen in de VS, Canada en West-Europa véél minder zouden kopen uit bijvoorbeeld Bangladesh, Egypte, Turkije en Pakistan, zou dat een ramp zijn voor de werknemers in die landen – én voor de wereldwijde politieke stabiliteit. Je zou miljoenen mensen in armoede storten. En bij 25 procent minder consumptie ook in het eigen rijke land. MacKinnon laat het een econoom doorrekenen voor Canada: de werkloosheid en de schulden passen niet meer op diens scherm. Vier procent minder shoppen, de werkweek naar vier dagen (om werk beter te kunnen verdelen), groene investeringen en progressieve belastingtarieven – dan is het misschien te doen. Maar wat moeten die arme voormalige productielanden dan? Oorlog voeren?

6. Eindelijk de walvissen redden

In 1861 toonde een cartoon in Vanity Fair een groep feestende walvissen onder een banier met „Oils well that ends well”. Er was aardolie gevonden, walvisolie zou niet meer nodig zijn. Het liep anders: walvissen werden juist efficiënter bejaagd. Op fabrieksschepen werden olie en vlees van de gedode zeezoogdieren direct verwerkt en ingevroren. In 1986 besloten de meeste landen te stoppen met de walvisjacht; de gigantisch geslonken walvispopulaties konden weer wat groeien. Maar nu vallen de dieren ten prooi aan zeevervuiling, aanvaringen en onderwaterlawaai van scheepsverkeer. Als we écht zouden ‘stoppen met shoppen’ werd het de derde keer dat we de walvissen gingen redden. Zou het er dit keer van komen?