Foto Erik Smits

Interview

Heddy Honigmann: ‘Er zijn een aantal dingen waardoor ik zin heb om te leven’

Wat maakt het leven de moeite waard? Ook al is ze ziek, Heddy Honigmann (70) wil niet denken dat het allemaal niet meer hoeft. Ze wil nog nieuwe films maken, bijvoorbeeld. „Het gaat erom dat je het nog prachtig vindt om je aan te kleden en naar het café op de hoek te lopen.”

De meer dan honderd jaar oude dokter in de film 100UP werkt nog steeds in het ziekenhuis. Documentairemaakster Heddy Honigmann (70) vraagt hem waarom hij elke ochtend opstaat. „Om naar het ziekenhuis te gaan”, zegt hij zonder aarzelen en misschien wel enigszins verbaasd over de vraag.

Honigmann lacht als ze eraan terugdenkt. „Ja ik dacht meteen: waarom heb ik dat zelf niet bedacht? Natuurlijk, hij moet werken.”

Voor haar is dat natuurlijk, ook als iemand over de honderd is. Zelf zit ze soms in een rolstoel vanwege haar MS, maar dat maakt heus niet dat ze denkt dat het voor haar allemaal niet meer hoeft. Al vindt ze het niet leuk. „Het gaat heel geleidelijk hè. Eerst loop je wat moeilijker, dan nog wat moeilijker, dan heb je soms een rollator nodig en dan kun je bijna helemaal niet meer lopen en heb je steeds een rollator nodig.”

Ze mist het wel, het gevoel dat ze vroeger over haar lichaam had. „Ik kon heel hard lopen en heel ver en hoog springen, ik was klein maar ik ging zó…” Ze maakt een gebaar met haar sierlijke kleine hand van iets dat opvliegt en veel verderop neerkomt. Dat was zij.

We hebben al een hele poos zitten praten, over Peru waar ze vandaan komt, over haar vader, over haar films, als ze een beetje verontrust zegt: „Je hebt me nog helemaal niet gevraagd naar mijn plannen voor nieuwe films.”

Alsof ik zou denken dat ze die niet had. Dacht ik dat? Ik weet dat ze kanker heeft, maar ik heb ook die films van haar gezien die altijd lijken te draaien om vitaliteit, levenslust. Niet alleen die van de mensen die ze filmt, het is ook de kracht van de maakster zelf die je erin voelt.

Ze wil, zegt ze, een film maken over daklozen. „Ik kan me niet voorstellen hoe het is om geen dak boven je hoofd te hebben. Als je niet binnen kunt komen uit de kou, als je zelfs niet een heel klein kamertje hebt dat van jou is met een bed en een warme deken.”

Toen ze geïnstalleerd was aan het tafeltje in het café in Amsterdam-West waar we hebben afgesproken, zei ze plompverloren: „Ik ben mijn laatste film vergeten. Hoe begint-ie ook alweer?”

Met twee violisten van het Concertgebouworkest, Liviu Prunaru en Valentina Svjatlovskaja, die voor jou spelen, zeg ik. En meteen daarna zit je in een rondvaartboot met je collega José Luis Guerín en die zegt dat hij denkt dat je films maakt om antwoorden te krijgen op je eigen levensvragen.

„En geef ik antwoord?”

„Nee.”

Eigenlijk geldt dat min of meer voor iedere filmmaker, denkt ze. „Je kunt niet achter dingen komen door zomaar vragen te stellen, dus dan probeer je via een film enkele van de vragen die je jezelf stelt te beantwoorden. Dat hoeft niet altijd een persoonlijke vraag te zijn, dat kan een vraag zijn over de wereld, over het nu, over waarom het zo slecht gaat. Het hoeft niet te zijn: waarom ben ik ziek, of waarom heeft het lot me zo getroffen, helemaal niet.”

Ze is dus wel ziek. Maar ze heeft ontzettend veel zin om nog een aantal films te maken. „En ik zou heel graag mijn zoon nog een beetje ouder zien worden. Ik ben verliefd op mijn zoon, dat is zo’n leuke jongen, hij heeft zulke mooie blauwe ogen, dat heeft-ie van zijn vader. En ik wil mijn man niet zo snel missen. Er zijn een aantal dingen waardoor ik echt zin heb om te leven.”

Weet je van tevoren welke vragen je beantwoord wil zien in een film of merk je dat gaandeweg?

„Alle twee. Met Metaal en Melancholie, een film over taxichauffeurs in Lima, wilde ik een beeld hebben van die stad, met de chauffeurs als hoofdpersoon en de stad als tweede die almaar meerijdt. Dat wist ik van tevoren. Maar bijvoorbeeld bij eh… noem eens een film?”

‘Ingelijst huwelijk’ bijvoorbeeld?

„We waren heel benieuwd waarom mensen gingen trouwen, waarom beslis je om je leven te binden aan één iemand. Als je het mij nu vraagt, heb ik wel een antwoord, maar dit is mijn tweede huwelijk. Mijn man Henk is, ja, hij is de allermooiste persoon die ik ooit heb ontmoet. Ik kan heel erg genieten van het praten met hem over boeken, over film, over het nieuws, over wat we iedere dag meemaken. Ik kan met hem heel lekker vrijen. Hij is ook heel zorgzaam voor mij. Je kan soms voelen dat iemand het vervelend vindt om iets voor je te doen, in dit geval het helpen met de rolstoel. Dan vraag ik: ‘Zou je het erg vinden of lastig vinden om?’ – nee.”

Bij haar laatste film, No Hay Camino, is ze zelf het onderwerp. De film is gemaakt zoals de titel zegt: ‘er is geen weg’, die wordt al gaande gemaakt. „Ik dacht: ik zou graag iets doen met Johanna (ter Steege) en met Kristien (Hemmerechts) en zeker met mijn zoon. Ik moet naar het ziekenhuis, misschien is het een idee als hij mij brengt, wat hij vaak doet. Op die manier werd het opgebouwd. Je weet nog niet wat de vorm zal zijn, maar je voelt dat er materiaal in zit om een film van te maken. Wat ik niet wilde, was een soort ontboezeming van allemaal geheimen – die ik trouwens niet zoveel heb.”

Normaal gesproken zie je jou niet of nauwelijks in je films.

„Even op de rug, of een hand of zo. Een veel aangenamere positie dan vóór de camera. Want dan zit je ook te denken: zit mijn haar goed, loop ik goed met mijn rollator of een beetje krom, heb ik de juiste trui aan of heeft die te veel vierkantjes voor de camera? Bij andere films is dat makkelijker, maar bij deze – hoe zei je dat de film begint?”

Met de musici.

„Ja ik denk dat het daar ook echt mee begonnen is. Liviu en Valentina waren zo lief om een hele ochtend te komen spelen. Dan weet je dat je een goed begin hebt dat ergens naartoe zal gaan. Ik hou veel van muziek, dus op die manier heb ik mezelf dan al neergezet, ik zit daar te luisteren.”

Je kunt niet achter dingen komen door zomaar vragen te stellen

In het café loopt af en toe een duif naar binnen en Honigmann wil de muziek graag wat zachter en de deuren dicht voor de tocht. Voel jij je een Amsterdammer? vraag ik haar.

„Ik hou van de stad vanaf de eerste keer dat ik er kwam. Ik liep langs een gracht naar het adres van mijn eerste man, Frans van de Staak, en ik dacht: ja, hier zou ik gelukkig kunnen worden.”

Ze begint haar wandeling te beschrijven, hoe ze liep, hoe ze stopte om naar de huizen te kijken, naar de mensen, naar hoe het licht op de grachten viel, hoe een brug openging. „Het was subliem. Ik ben aan het lopen, dacht ik, in mijn toekomstige stad. Niemand zei hallo, maar de stad zei hallo.”

En voelt ze zich nog thuis in Lima, waar ze vandaan komt?

Alles aan haar begint te stralen. Ja! Zeker! Aankomen in Lima is heerlijk. En weer begint ze te beschrijven wat ze dan ziet.

Als je nu zou denken dat het over de pijn van emigratie zou gaan, dan is dat een misverstand. Bij haar is die tweespalt vooral rijkdom: er zijn twéé plaatsen op de wereld waar ze zich helemaal thuis voelt.

Al is dat wel minder nu haar moeder, die in Lima woonde, er niet meer is. Ze vertelt hoe leuk het was toen haar moeder nog leefde, hoe mooi ze was, ‘een snoepje’. Hoe ze haar eens in Amsterdam meegenomen had naar een concert van Willem Breuker waar ze tot Heddy’s verbazing enthousiast over was en dat ze toen midden op de Dam in de motregen een stuk tekst uit Sofokles’ Ajax begon te declameren, ze was toneelactrice ooit. En dan gaat het over haar zus en over haar joodse vader die in concentratiekamp Mauthausen zat voor hij naar Peru kwam, waar hij een beroemde striptekenaar werd. Ze had een moeizame verstandhouding met hem. Hij heeft haar leren schieten, vertelt ze, vond ze wel stoer, en er was een keer dat hij dacht dat er een poema – „Kijk, zo gaan die vertellingen bij mij.”

Nu ze zo over haar verleden zit te praten, moet ik denken, zeg ik, aan een scène in 100UP waarin twee stokoude zussen zitten te praten en de ene, Shirley, tegen de andere zegt: ‘Het is vandaag de verjaardag van moeder.’ Daar wil haar zus niets van weten. Het is „verspilde tijd” zegt ze, om aan het verleden te denken. „Waarom zouden we daaraan denken? Dat is voorbij.”

„Dat vond ik een heel mooie scène. Ik denk dat Shirley meer in evenwicht was dan haar zuster, die schrapte echt het verleden. Shirley leeft nog, ze zal nu 107 zijn. Ik zie haar voor me, ze zal zeker thuis willen blijven wonen en als ze niet meer kan lopen, dan gaat ze met haar rollator of met haar rolstoel naar het café op de hoek om mensen te ontmoeten.”

Dat is wat de mensen drijft, zegt ze. „Het gaat om niks en het gaat om alles. Het gaat erom dat je het nog prachtig vindt om, in je eentje of geholpen door iemand anders, je aan te kleden, naar het café op de hoek te lopen en daar mensen te ontmoeten, ook onbekenden. Ik vind dat zelf ook leuk, dat zie je in mijn films. Je kunt wie dan ook voor mij zetten en ik heb een gesprek.”

Geneer je je weleens om iets te vragen?

„Als ik gegeneerd ben, dan hoor je het in mijn stem. Dan ga ik die vraag herhalen, zeggen: ‘Ehm ja? En hoe ging het nou?’ Met O Amor Natural (een film waarin ze mensen vraagt de openlijk seksuele gedichten van de Braziliaanse Carlos Drummond de Andrade voor te lezen) was het zeker zo. Dat was allemaal heel precair. Elke ochtend als ik wakker werd in het hotel, dacht ik: hoe ga ik het vandaag aanpakken? Ik spreek die mevrouw, dat is iemand uit een krottenwijk, dus dan kan ik wat openlijker zijn, die praten veel makkelijker over seks en liefde. Iedere keer als ik met iemand ga praten, vraag ik me af: wat is het dat ik zoek?”

En? Wat zoek je?

„Dat hangt af van de film, maar bij O amor een soort waarheid. Iets ontdekken wat ik zelf niet weet, met de gedichten als breekijzer. Ik spreek in die film met twee oude mannen en ze gaan spontaan dingen vertellen en ik vraag aan de ene: ‘Doe jij dat nog?’. ‘En u?’ , vraag ik dan aan de oudste, ‘doet u dat nog?’ Dat was heel leuk. Het gesprek komt in een stroom en je weet dat je een bepaalde vraag wilt stellen, maar je weet niet zeker óf je hem gaat stellen en ook niet wanneer. Het moet vanzelf komen.”

Het gaat erom iets te ontdekken wat ik zelf niet weet

Haar personages laten haar veel zien. Taxichauffeurs in Lima tonen hun wrakke auto’s, straatkinderen hun kunstjes, iemand neemt haar mee naar zijn armelijke huis om haar zijn vrouw en kinderen te vertonen.

Heb je weleens medelijden met je personages?

„Nee, ik heb bij mijn eerste film al geleerd: je moet nooit medelijden hebben. Dan doe je iemand tekort. En ik ben daar geboren in dat land, dat maakt ook veel verschil.”

Een man die in een restaurant werkt, in El Olvido, neemt je mee naar huis en dan vraag jij aan zijn vrouw: ‘Hebt u weleens in zijn restaurant gegeten’…

„En dan zegt ze: ‘Nee.’ Ze zitten op het bed in een heel klein huisje. Ik wist dat ze nee zou zeggen op de een of andere manier – toen had ik veel moeite om dat te vragen.”

Maar je vraagt toch door.

„Ja, hoe kan dat nou dat ze nooit gegeten heeft in dat restaurant. Het was echt een heel goed restaurant met leuke collega’s en ook een aardige baas, die hadden het vast wel goed gevonden. Ik vond dat echt een pijnlijk moment.”

Een van de taxichauffeurs, die een dochtertje heeft met leukemie, zegt op een gegeven moment: ‘Het leven is hard, maar mooi.’ Voel jij dat ook zo?

„Ja”, zegt ze met veel overtuiging. „Die zin is jarenlang een discussiethema geweest tussen mij en mijn eerste man. Hij geloofde daar niet in, in dat het toch mooi is als het zo hard is. Ik wel.”

Is het überhaupt wel een vraag voor jou of het leven de moeite waard is?

„Nee.”

Je vindt het gewoon de moeite waard?

„Ja.”