Opinie

Met mijn kinderen spelen vind ik vermoeiender dan een werkdag

Marcel van Roosmalen

Ik ging met Lucie van Roosmalen (6) en Leah van Roosmalen (4) naar de speeltuin, momenten waar ik ten diepste van probeer te genieten, maar de blijdschap waar de meeste andere vaders hier van nature mee behept schijnen te zijn ken ik dan toch niet. Ik kijk vooral uit naar het moment waarop het samen spelen voorbij is. De liefde voor mijn kinderen is groot, maar het samen spelen vind ik uitputtender dan een werkdag.

Het kan het leeftijdsverschil zijn, ze beginnen in ons dorp veel eerder aan kinderen dan gemiddeld. De meeste andere vaders hadden mijn kinderen kunnen zijn, wat dat betreft zou ik in theorie meer met de opa’s moeten hebben, maar met hen klik ik ook niet.

Ze wilden schommelen en namen plaats, als prinsesjes in een koetsje.

Naast ons een vader die het wel leuk vond om zijn dochter te duwen.

Hoei – hoei – hoei.

Onvermoeibare man.

Ik begon nu ook aan mijn karwei.

Eerst de een, dan de ander, de commando’s volgend.

„Harder!!”

- „Niet zo hard!”

„Niet stoppen!”

- „Hoger dan Leah!”

De vader naast ons ging erbij staan zingen en na iedere duw in zijn handen klappen. Totaal onverwacht hield hij op met duwen en rende over het gras richting het klimrek bij het water.

„Pak me dan! Pak me dan!”

Zijn dochter erachteraan.

Hij hing er als eerste in.

Ondersteboven, zingend.

Mijn dochters keken ernaar en wilden ook naar het klimrek.

„Jij moet ook zo hangen…!”

Ik keek naar die andere vader, kind tussen de kinderen.

Hij viel uit het klimrek, met z’n knieën in de prut.

„Dan maar een vieze broek”, zei hij tegen mij.

Na de speeltuin fietsten we naar huis.

Daar speelden we drie potjes memory. Ik vind memory een heel vervelend spel, ook omdat ik telkens van ze verlies. Er zijn momenten dat ik heel erg uitkijk naar de fase dat mijn dochters zelfstandig, elk in een eigen hoek van de woonkamer een boek lezen of op hun kinderkamers zitten te puberen.

Ik zei dit een keer tegen een andere vader bij wie ik Lucie van Roosmalen afleverde voor een speelmiddag. Hij zei dat het hem geen enkele moeite kostte om het kind in zichzelf te bereiken. Hij had zelf een hut in de tuin gebouwd en ging daar als zijn kinderen er niet waren soms zelf inzitten.

„En dan denk ik nergens aan.”

Ik was niet jaloers.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.