Opinie

De Raad van State gaat nat, maar is het genoeg?

De Rechtsstaat

Het vuurwerkverbod was vorige week groter nieuws en dus verdween het mea culpa-rapport van de Raad van State ergens tussen een spoorloze Chinese tennisster en ‘Shell naar Londen’. Waarna de spanning tussen burger en overheid afgelopen weekeinde tot stevige rellen leidde.

Dan is zo’n vergaande erkenning dat de hoogste bestuursrechter in de kinderopvangtoeslagzaken te lang in de ‘strenge groef’ bleef zitten, niet kritisch genoeg was, feitelijk z’n taak verzaakte en nu ‘excuses’ aanbood, haast een detail. Dat tegelijk akelig aansloot bij de vertrouwenscrisis burger–overheid die dus nóg dieper kon. En uitgerekend dan gaat de hoogste bestuursrechter ‘nat’ – en niet zo’n beetje ook. Terwijl het juist de instituten zijn die de rechtsstaat en de democratie drijvende moeten houden.

Ik zit dan ook al een paar dagen met een knoop in m’n maag. Enerzijds vond ik de analyse scherp en deskundig, de presentatie openhartig, zelfs tamelijk genadeloos voor zichzelf, en ook vertrouwenwekkend. Ziezo, de prop is uit de leiding, nu nog de weg omhoog vinden. Anderzijds waren de aanbevelingen in zekere zin zó voor de hand liggend dat ze me ook zorgen baarden.

Meer ruimte maken voor tegenspraak, meer externe informatie toelaten, vaker onafhankelijk advies vragen, beter luisteren – naar vrijwel iedereen –, meer vrijheid nemen om knellende wetgeving te matigen als de redelijkheid dat vraagt. Minder snel ook hele zaaksoorten vast timmeren met ‘lijnen’ die zichzelf daarna in stand houden. Mede dankzij een efficiënte organisatie waar zittingen liever korter dan langer duren en een batterij hoog deskundige stafjuristen die de ‘tekstblokken’ al klaar hebben staan. Daar ruimte vinden voor tegenspraak, dat zou je toch niet meer moeten leren, als ervaren rechters in een hoogste rechtscollege?

Of zou het tunnelvisie en groupthink zijn geweest? Waarbij het verlangen naar consensus groter is dan de behoefte aan kritiek, alternatieven of andermans input? Dan is het een cultuurprobleem, van rechterlijke attitude en houding. Dan moeten er patronen worden doorbroken, verhoudingen opgeschud, ramen opengezet.

En er zit een ongeduldig stemmetje in m’n hoofd. Is het probleem wel beperkt (geweest) tot toeslagenzaken, of komt het elders ook voor? Zijn er andere zaaksoorten te lang te streng behandeld, met te weinig oog voor de burger en te veel aandacht voor rechtszekerheid? Bij de toeslagzaken bleken de bestuursrechters te goed van vertrouwen in de overheid – de Belastingdienst manipuleerde dossiers, gaf een vals beeld van afbetalingsregelingen en bleek zich geregeld niet aan schikkingsafspraken te houden. Het rapport somt de schandalen droog op. Waren de rechters naïef? Of misschien te veel jurist en te weinig boer-op-klompen die het eerst wil zien voordat-ie het gelooft? Juristen zijn verwend met bewijs- en rechtmatigheidvermoedens die eigen onderzoek mogen vervangen. Verantwoordelijkheid mag vaak ‘bij partijen’ worden gelaten. Dat heeft zichzelf hier wel afgestraft.

Is het ‘systeemfalen’ elders wellicht ook zichtbaar? Het grootste dilemma voor rechters lijkt me wat te doen „als andere machten haperen”, zoals het rapport schrijft. Het kan niet anders of de rechtsbescherming van de burger moet een tandje worden opgeschroefd. Niet alleen in hoger beroep maar ook bij de rechtbanken. Ook in andere rechtsgebieden. Doorvragen op zitting naar de feiten, naar ontbrekende stukken, naar beleid in vergelijkbare zaken, naar de gevolgen van een eventuele uitspraak. De rechter kan niet meer blind vertrouwen op andere overheidsinstanties.

Ruim vóór de zitting de burger voorlichten over wat er gevraagd zal worden (‘bewijsvoorlichting’ in jargon), geen genoegen nemen met afwezige of zwakke procesvertegenwoordigers. Na een schikking op zitting bijvoorbeeld de zaak aanhouden in plaats van sluiten, een half jaar later heropenen en dán verantwoording vragen over de nakoming. Het meeste kan allang. Maar kennelijk liet men ook te veel over aan wat sinds de WRR het ‘doenvermogen’ van de burger heet – de capaciteit om de eigen zaakjes zo te beheren dat gelijkwaardig procederen een gegeven is. En dat is dus óók niet gebleken waar te zijn.

Lees ook de digitale nieuwsbrief van juridisch redacteur Folkert Jensma.