Spannende radiochemie langs de ringdijk

Ongekend Ze waren belangrijk voor de wetenschap, maar deze vrouwen stonden tot nu toe in de schaduw.

Het Science Park in Amsterdam staat vol strak ontworpen universiteitsgebouwen, hightech-laboratoria en datacentra. Maar in de jaren vijftig was het terrein onderaan de Oosterringdijk nog groen, met slootjes en reigers. Alleen aan het begin van de dijk stond een slordig groepje gebouwen: daarin was vanaf 1946 het Instituut voor Kernfysisch Onderzoek (IKO) gehuisvest. Eind jaren vijftig ging Gerda Wolzak er aan de slag.

Bij het IKO draaide het destijds om ‘fundamenteel onderzoek’, met veel nadruk op het begrijpen en ontdekken van radio-isotopen. Het ‘isotopen’ in die naam duidt op de net iets zwaardere of lichtere varianten die er van een chemisch element kunnen bestaan. Het ‘radio’ verwijst naar de radioactieve straling die instabiele isotopen uitzenden als hun kernen na kortere of langere tijd uit elkaar vallen. Op het IKO ontdekte de bloeiende onderzoeksgroep van Adriaan Aten jr. in de jaren vijftig en zestig ten minste twintig van die radio-isotopen.

Het was spannend onderzoek. Er werd een synchro-cyclotron van Philips bij gebruikt en er moesten ingenieuze, radiochemische stappen worden bedacht om de isotopen te produceren, isoleren en analyseren – vaak vlugvlug, voordat ze alweer uit elkaar waren gevallen.

Geen professor?

Interessant was ook dat de isotopen konden worden toegepast in de medische diagnostiek, bij medische behandelingen of bij het dateren van oude kunstvoorwerpen. En het werk kreeg extra kleur doordat buitenlandse gastonderzoekers graag en vaak bij de internationaal vooraanstaande groep langskwamen. Zo werkte Wolzak bij de ontdekking van de radio-isotoop Europium-143 op het IKO (Nuclear Physics, 1965) samen met de Japanner K. Kotajima, ontdekte ze samen met de Japanner Haruhiko Morinaga de radio-isotoop kalium-45 (Physics Letters, 1964) en ontleedde ze met die laatste het verval van protactinium-236 (Radiochimica Acta, 1963).

Wat veel andere wetenschappers niet wisten, was dat Wolzak een vrouw was. Radiochemicus Gerard Samson, die destijds bij IKO werkte, herinnert zich de verrassing van een buitenlandse bezoeker die de naam Wolzak enkel uit publicaties kende: „Ik dacht dat het een professor was, maar het is een vrouw en ze is laborante!” Dat was in het Nederland van de jaren vijftig zo’n beetje het hoogst haalbare voor een vrouw die succesvol de middelbare school had doorlopen – voor Wolzak de hbs-b van het Amsterdamse Fons Vitae Lyceum.

Gelukkig kreeg Wolzak halverwege de jaren zestig wél kansen: in Napels mocht ze een radiochemisch lab opzetten en beheren op het daar pas opgerichte kernfysisch instituut. Veel Italiaanse collega’s kende ze al van bezoeken aan het IKO en ze kreeg een relatie met directeur Guido Chilosi. Alles veranderde toen Chilosi in 1971 verongelukte tijdens een klimtocht in de Dolomieten; niet lang daarna verliet Wolzak Napels én de radiochemie.

Prikletters

Als secretaris van de Italiaanse Natuurkunde Vereniging, de Società Italiana di Fisica (SIF), pakte Wolzak in 1974 de draad weer op. Met talenkennis en flair organiseerde ze onder meer 26 van de onder fysici beroemde, internationale ‘zomerscholen’ in Varenna aan het Comomeer. Elke avond kondigden witte plastic prikletters op een zwart bord het programma voor de volgende dag aan, schreef SIF-president Renato Ricci na haar overlijden in een mooi In Memoriam. En na het diner kregen fysici de sleutel van de tuin bij een naburige villa om te picknicken en na te praten – de ‘avondschool’ noemde Wolzak dat.

In 1982 keerde ze naar Nederland terug als ‘acquisition editor’ bij North Holland Physics Publishing van Elsevier. Ze organiseerde er ‘spaghettimaaltijden’ voor haar (spaarzame) vrouwelijke collega’s en bezocht elk jaar in Italië Chilosi’s graf en Chilosi’s zussen. En eigenlijk, zegt voormalig IKO-medewerker Samson, had zij wegens haar betrokkenheid bij al die publicaties natuurlijk een eredoctoraat verdiend.