Opinie

‘Groei’ is niet het probleem. Het is juist de oplossing voor de ecologische crisis

Klimaat Nee. Maar dan moeten we juist géén grenzen stellen aan de groei, meent .

Illustratie Cyprian Koscielniak

‘Ramp bedreigt wereld’, kopte NRC Handelsblad een halve eeuw geleden op de voorpagina. De openingszin op 31 augustus 1971: „Als alles en iedereen doorgaan op de manier waarop dat nu gebeurt, dan komt er binnen enkele tientallen jaren een geweldige catastrofe.” Het nieuws was een echte wereldprimeur, afkomstig uit een conceptversie van het rapport The Limits to Growth dat vertrouwelijk onder de Nederlandse pers circuleerde. De opdrachtgevers? Een illuster gezelschap dat de geschiedenis zou ingaan als de Club van Rome.

Maar welke ‘geweldige catastrofe’ hing de wereld dan boven het hoofd? In één woord: groei. Door het samenspel van een groeiende wereldbevolking, het gebruik van grondstoffen en milieuvervuiling stevenden we af op de ineenstorting van onze menselijke beschaving, tenzij we drastische stappen ondernamen en grenzen stelden aan de groei. De Club van Rome had een wereldmodel met vijf parameters laten invoeren in een computer – toen nog een geheimzinnige nieuwigheid die veel ontzag wekte – om vervolgens diverse toekomstscenario’s te berekenen. Telkens kwam het rekenwonder met hetzelfde grimmige antwoord: stop de groei, of de boel ontploft.

De boodschap sloeg in als een bom, maar helemaal nieuw was ze niet. In 1967 voorspelden de gebroeders William en Paul Paddock wereldwijde „hongersnoden, groter dan ooit in de geschiedenis”. Nog hooguit tien jaar restte ons, zoals bleek uit de toepasselijke titel van hun boek: Famine 1975!

Nog invloedrijker was de Amerikaanse vlinderbioloog Paul R. Ehrlich met zijn megabestseller The Population Bomb uit 1968. Zijn openingszin: „De strijd om iedereen op aarde te kunnen voeden is voorbij.” Verloren, bedoelde Ehrlich. De voedselcatastrofe was onafwendbaar, ongeacht wat de wereld zou ondernemen. Net als de Club van Rome voorzag Ehrlich ook de nakende uitputting van grondstoffen en het „einde van welvaart”.

En dan was er nog een milieuprobleem hors catégorie dat de hele planeet bedreigde: het groeiende gat in de ozonlaag, veroorzaakt door drijfgassen (cfk’s) in spuitbussen en koelapparatuur. Toen Sherwood Rowland, de chemicus die het gat in ons figuurlijke zonnescherm ontdekte, op een goede dag in 1974 thuiskwam, vroeg zijn vrouw hoe het met zijn werk ging. Zijn antwoord: „Met mijn werk heel goed. Alleen betekent het, denk ik, het einde van de wereld.”

Onheilstijdingen

De wereld nam deze onheilstijdingen van prominente milieudenkers en wetenschappers bloedernstig. Van Limits to Growth gingen wereldwijd dertig miljoen exemplaren over de toonbank, van de Nederlandse vertaling De grenzen aan de groei een slordige driehonderdduizend. Paul Ehrlich mocht met zijn apocalyptische monologen meer dan twintig keer aanschuiven bij het populaire tv-programma The Tonight Show. Na de eerste Earth Day in 1970 waarschuwde een hoofdredactioneel commentaar in The New York Times dat de mensheid door milieuvervuiling en uitputting van grondstoffen afstevende op de „ondraaglijke achteruitgang en mogelijke uitsterving” van onze soort.

Ook de nuchtere Nederlanders bleven niet onberoerd. In de nasleep van de wereldprimeur in deze krant uit 1971 verspreidde het „pessimisme van ellende en ondergang” zich als een „dikke mist” over Nederland, aldus filosoof Jaffe Vink in zijn boek Wie is er bang voor de vooruitgang (2014). In haar kersttoespraak in 1988 sprak koningin Beatrix onomwonden over de extinctie van alle leven, waarbij ze nadrukkelijk verwees naar de Club van Rome: „Langzaam sterft de aarde en wordt het onvoorstelbare, het einde van het leven zelf, toch voorstelbaar.”

Maar gelukkig, we zijn er nog! Sterker, de milieuvervuiling nam sterk af (zeker in rijke landen), de wereldwijde armoede daalde sneller dan ooit tevoren, de miljarden hongerdoden bleven uit, grondstoffen werden juist goedkoper en overvloediger in plaats van duurder en schaarser. De planeet voedt anno 2021 veel meer monden dan de doemprofeten ooit voor mogelijk hielden.

Moeten we de Club van Rome danken omdat de wereld hun waarschuwingen ter harte nam? Hebben we hier te maken met de beruchte ‘zelfweerleggende voorspelling’, waarbij je een groot onheil voorspelt, en je voorspelling vervolgens niet uitkomt juist omdát mensen naar je luisterden?

Over tot de orde van de dag

Toch niet. De mensheid heeft het roer nooit radicaal omgegooid zoals de Club van Rome wenste. De mondiale economie bleef groeien, de wereld bleef volop eindige grondstoffen uitputten, van massale geboortebeperking was geen sprake (behalve in sommige landen, met catastrofale humanitaire gevolgen). Iedereen liet zich de stuipen op het lijf jagen, maar uiteindelijk gingen beleidsmakers over tot de orde van de dag. De economie moest blijven groeien, voor de welvaart en pensioenen. Want wie maalt om het einde van de wereld als het einde van de maand eraan komt, of van de regeerperiode?

In werkelijkheid nam het avontuur van de menselijke vooruitgang een plotwending die bijna geen enkele onheilsprofeet destijds had voorzien. Neem de voedselschaarste. Die werd niet afgewend door het geboortecijfer de kop in te drukken, of door zuiniger te eten en voedsel te herverdelen, maar door de productiviteit van de landbouw spectaculair te verhogen. Terwijl Paul Ehrlich in The Tonight Show over de nakende voedselcatastrofe predikte, waren slimme wetenschappers volop bezig met oplossingen. In een godverlaten gat in Mexico kweekte de agronoom Norman Borlaug door jarenlang monnikenwerk nieuwe en betere variëteiten van tarwe, maïs en andere gewassen. Samen met kunstmest, moderne irrigatie en tractoren zorgde het voor een klein mirakel: overal verdubbelden landbouwopbrengsten, in Mexico ging het zelfs maal zes. De voorspelling van de Club van Rome dat er tegen het jaar 2000 „wanhopige landschaarste” zou ontstaan, kon de vuilnisemmer in.

Idem voor het fatalisme van Paul Ehrlich, die overal bazuinde dat India zichzelf nooit zou kunnen voeden, en die voedselhulp aan drastische geboortebeperking wilde koppelen. Twintig jaar later was India netto-exporteur van voedsel, met dank aan Borlaugs Groene Revolutie.

Of neem de uitputting van grondstoffen. De computermodellen van de Club van Rome hielden totaal geen rekening met het prijsmechanisme, de smeerolie van elke vrijemarkteconomie. Als een grondstof tijdelijk schaarser wordt, krijgen producenten een prikkel om harder naar die stof te zoeken of om een alternatief te vinden, en consumenten om er spaarzamer mee om te springen. Alle drie gebeurden tegelijkertijd. Net zoals kapitalisten graag op arbeid besparen, door de productiviteit per arbeider op te drijven, besparen ze ook graag op materiële grondstoffen. Hoe minder ze nodig hebben, hoe meer winst.

En de milieuvervuiling? Ook die werd niet opgelost door minder te consumeren of minder kinderen te verwekken, maar door consumptie los te koppelen van milieu-impact, dankzij slimme technologische innovaties. We gingen niet minder rondtuffen, maar haalden lood uit benzine. We bleven olie en steenkool stoken, maar installeerden filters op onze schoorstenen die roet en zwavel tegenhielden.

Niet dat de markt alles vanzelf oploste. De meest succesvolle milieumaatregel ooit was wellicht het Montréalprotocol uit 1987, dat de uitfasering regelde van de cfk’s die onze ozonlaag aantasten. Fabrikanten zochten en vonden andere stoffen om dezelfde diensten (zoals luchtdruk in spuitbussen) te leveren. Iedereen spoot en sproeide vrolijk verder, maar zonder onze ozonlaag te verpieteren.

Lees ook dit interview met econoom Kate Raworth: ‘We moeten afstappen van eindeloze economische groei’

Nieuwe ecologische crisis

Deze litanie van gefaalde doemtijdingen is niet enkel boeiend vanuit historisch oogpunt, want vandaag kampen we met een nieuwe ecologische crisis, destijds slechts een glinstering in de ogen van sommige vooruitziende klimatologen. De Club van Rome wijdde hooguit enkele zinnetjes aan het ‘broeikaseffect’; Paul Ehrlich twijfelde nog of onze menselijke uitstoot de aarde zou afkoelen dan wel opwarmen.

Toch staan er opnieuw profeten op die het evangelie van ‘minder minder!’ prediken om de planeet te redden. De antropoloog Jason Hickel pleit in zijn boek Less is More expliciet voor een ontgroei-kuur: arme landen mogen nog een beetje doorgroeien, maar rijke landen moeten massaal krimpen en welvaart inleveren. Ook Greta Thunberg sprak zich uit tegen de „sprookjes van eeuwige economische groei”.

Het lijkt erop dat deze intellectuele erfgenamen van de Club van Rome helemaal niets hebben bijgeleerd. Groei is niet het probleem, maar juist de oplossing. Als we globaal onze CO2-uitstoot naar nul willen herleiden, hebben we technologische innovatie nodig en gigantische infrastructuurwerken. We moeten letterlijk duizend-en-één alternatieven uitvinden voor de duizend-en-één verschillende diensten die fossiele brandstoffen aan de mensheid leveren. De enige realistische manier om zo’n herculische opdracht te vervullen, is via groei. Groei bekostigt de innovatie en de transitie, groei verzekert het draagvlak.

‘Ontgroei’ zou niet alleen rampzalig zijn voor iedereen, zelfs in rijke landen, maar het zou ook nauwelijks iets uithalen. Een economie die tot stilstand komt of krimpt, stoot nog steeds enorme hoeveelheden CO2 uit, gegeven de huidige technologie. Herinner je je nog het voorjaar van 2020, toen talloze economische activiteiten abrupt werden lamgelegd? Vliegtuigen bleven aan de grond, auto’s stonden te roesten in de garage, horeca en scholen sloten hun deuren. Zelfs met die nooit geziene mondiale ontgroeikuur – die geen zinnig mens ooit opnieuw wil meemaken – daalde onze CO2-uitstoot in 2020 met een schamele 7 procent.

In wezen verschilt ons klimaatprobleem niet van de ecologische rampen van vijftig jaar geleden: onze vooruitgang veroorzaakt een onvoorzien neveneffect, dat we nu ongedaan moeten maken. De remedie is niet om onze welvaart stil te leggen, maar om haar los te koppelen van dat schadelijke neveneffect, door juist méér welvaart tot stand te brengen. Het voornaamste verschil is de omvang en draagwijdte van ons nieuwe probleem: het gat in de ozonlaag konden we dichten door welgemikt enkele stofjes te verbieden, maar fossiele brandstoffen zitten in alle uithoeken en kieren van onze economie. De ecologische crises van vijftig jaar geleden waren slechts opwarmertjes, vingeroefeningen voor de échte grote klus. Toch zal de oplossing ook deze keer komen van het menselijk vernuft en van technologie – niet van een of andere vorm van massale verarming of radicale systeemverandering. Daar dromen profeten al vijftig jaar van, zonder enig succes. En gelukkig maar, want het is een schijnoplossing die de zaak enkel zou verergeren.

Wie maalt om het einde van de wereld als het einde van de maand eraan komt, of van de regeerperiode?

Van alle technologische oplossingen sluit kernenergie het nauwst aan bij de beproefde recepten waarmee onze grootouders hun ecologische crises bedwongen. De splijting van een atoomkern is de ultieme, overtreffende trap van ‘meer doen met minder’, van de ontkoppeling tussen welvaart en natuur. Door de enorme energiedichtheid van uranium (drie miljoen keer zoveel als steenkool) heeft kernenergie slechts een verwaarloosbare milieu-impact. Hernieuwbare energie stoot ook geen broeikasgassen uit, maar heeft wel een veel grotere milieu-impact, omdat het duizenden vierkante kilometers natuur in beslag neemt en een veelvoud aan ruwe grondstoffen vergt. Het nieuws van vorige week dat China 150 (!) nieuwe kernreactoren zal bouwen, waarmee het meer CO2-uitstoot zal vermijden dan de helft van de totale Europese emissies, stemt me hoopvoller dan alle berichten die ons uit Glasgow bereikten. Waar wachten wij nog op?

De keuze die voor ons ligt de komende decennia, is helder. Als we het verkeerd aanpakken, helpen we ons klimaat naar de knoppen en veroorzaken we een zesde massa-extinctie, na de vijf eerdere uitstervingsgolven die onze planeet kende (de laatste deed de dinosauriërs de das om, 66 miljoen jaar geleden). Of we moeten onze toevlucht nemen tot gevaarlijke lapmiddeltjes, zoals een tijdelijk zonnescherm van aerosolen in de stratosfeer dat de temperatuur kunstmatig omlaag duwt. Houden we echter het hoofd koel en grijpen we doortastend in, dan kunnen we binnen een halve eeuw opnieuw terugblikken en opgelucht ademhalen: „Oef, liep dat even goed af!”