Nederland liet Bali bloeden

Bali Een Balinese guerrilla onder leiding van een charismatische officier paste niet in de Nederlandse plannen met Indonesië na 1945. De opstand werd daarom bloedig bestreden, schrijft .

Herdenking in 2014 van de Puputan Margarana, de slag bij Marga (20 november 1946), waarbij I Gusti Ngurah Rai, held van het verzet op Bali, door Nederlandse militairen werd gedood.
Herdenking in 2014 van de Puputan Margarana, de slag bij Marga (20 november 1946), waarbij I Gusti Ngurah Rai, held van het verzet op Bali, door Nederlandse militairen werd gedood. Foto Anne-Lot Hoek

Tussen de groene sawa’s van Bali, niet zo ver van de strandbedden en bars van Kuta, liggen in strakke rijen meer dan duizend stoepa’s, grafmonumenten met getrapte daken. Ze zijn van moslims, hindoes en christenen. Eén graf op de ere-begraafplaats van het district Marga is groter: graf 301. Elk jaar, op 20 november, wordt het bedolven onder bloemblaadjes en vruchten, offerandes die vrouwen in traditionele kledij aandragen in platte manden op hun hoofd. Op die dag schallen strijdkreten en militaire muziek uit luidsprekers en zijn er toespraken over Balinese helden. In de menigte: talloze mannen in kaki uniforms en gele petjes. Ze praten en lachen, als oude vrienden tijdens een reünie. Maar als militairen een gouden kistje en een kris, een traditionele dolk, ronddragen, zwijgen ze.

Graf 301 is de laatste rustplaats van I Gusti Ngurah Rai, een jonge overste en held van het Balinese verzet, die werd gedood in de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog tegen de Nederlandse koloniale troepen bij een cruciale slag op 20 november 1946, de Puputan Margarana, dit jaar 75 jaar geleden.

Op 17 augustus 1945 riep Soekarno de onafhankelijkheid van de Republiek Indonesië uit, en Rai kreeg de taak die op Bali te verdedigen. Nederland reageerde al snel met een plan voor een federatie, waarbij de Republiek het gezag over Java en delen van Sumatra zou voeren en Nederland invloed zou blijven uitoefenen over het oostelijke deel van de archipel. Bali zou in die opzet deel uitmaken van ‘Oost-Indonesië’. Deze nieuwe deelstaat moest een toonbeeld van rust en democratie worden, maar Rai’s strijd stond dat in de weg. Al voordat de nieuwe staat formeel was gesticht, werd de loyaliteit van de bevolking er met meedogenloos geweld afgedwongen.

Lees ook: ‘Executies en systematische martelingen in Nederlandse gevangenissen op Bali’

In de zomer van 1946 had het idee van een ‘federale oplossing’ gestalte gekregen tijdens de Conferentie van Malino op Zuid-Sulawesi, waar Nederland lokale medestanders dacht te hebben. Met het Akkoord van Linggadjati tussen de Republiek en de Nederlandse autoriteiten, op 15 november van dat jaar, kwam er groen licht voor de nieuwe deelstaat onder Nederlandse hoede. Maar op Bali, dat in maart 1946 was bezet door zo’n tweeduizend KNIL-militairen – ex-krijgsgevangenen die tijdens de Japanse bezetting aan de beruchte Birmaspoorweg hadden gewerkt – was toen al een guerrilla uitgebroken die meteen hard werd onderdrukt.

Tot hoeveel geweld de federale agenda van ‘Malino’ leidde in de door Nederland bezette gebieden, is nooit goed bekend geworden. Dat komt doordat politiek en geweld onvoldoende in samenhang zijn bestudeerd. Maar uit nieuw historisch onderzoek blijkt hoezeer ze verbonden waren: het geweld had immers tot doel de politieke doelstellingen te verwezenlijken.

Luis in de pels

Nyoman Dauh, een broodmagere boer die naar eigen zeggen de honderd is gepasseerd als ik hem spreek, ziet als jongeman hoe Nederlandse militairen het gebied rond Marga in de vroege ochtend van 20 november 1946 omsingelen, vertelt hij. Dorpelingen die niet zijn gevlucht of die zich hebben verscholen, worden op de markt samengedreven. Maar Rai en zijn mannen, die zich vlak buiten het dorp bevinden, weten dan nog niet dat ze volledig zijn ingesloten door KNIL-compagnieën van Ambonezen, Menadonezen én Balinese Prayoda-militairen, een vooroorlogs hulpkorps.

De hele militaire top op Bali is bij de actie aanwezig. Onder hen de commandant, majoor Johan König, en het hoofd van de Militaire Veiligheidsdienst, Albert Siebeler. Wrange noot: beiden kennen Rai goed van vóór de oorlog, uit de tijd van zijn militaire opleiding.

Wie is die luis in de Nederlandse pels? Rai is dan 29 jaar oud en de zoon van de vorst van Carangsari, niet ver van Marga. Aanvankelijk interesseert hij zich meer voor pencak silat, een Aziatische vechtsport, dan voor zijn studieboeken. Hij is 1,54 meter lang maar zijn charisma is des te groter, zeggen tijdgenoten. Nadat hij in 1938 als cadet aantreedt bij het Korps Prayoda trouwt hij met een beeldschone, straatarme danseres en wordt verder opgeleid bij het KNIL en in 1941 als officier beëdigd.

Onder Nederlandse militairen geniet hij respect, ook omdat hij na de Japanse inval in 1942 verzet had gepleegd tegen de bezetter. Ze gaan er na de oorlog van uit dat hij nu weer aan hun kant staat. Maar anti-Japans betekent voor hun pupil niet pro-Nederlands, maar anti-imperialistisch.

Vanuit de bergen, waar hij zich terugtrekt, doet Rai aanvallen met zijn strijdgroep die zich Volksveiligheidsleger (Tentara Keamanan Rakyat, TKR) noemt. Er komt een prijs op zijn hoofd te staan en maandenlang wordt er op hem gejaagd. En er wordt gesoebat door de Nederlandse militaire top. In een viavia bezorgde brief schrijft commandant König – „je zult je ons nog wel herinneren” – dat hij begrijpt waarom Rai de leiding van de TKR op zich heeft genomen en vraagt hem te komen praten. „Je kunt dan in volle vrijheid gaan waar je wilt.”

Rai, die vloeiend Nederlands spreekt, schrijft hem terug in het Indonesisch: „Zolang u op Bali aanwezig bent, zal het eiland altijd een plaats van bloedvergieten tussen ons en u zijn.”

Bij een overval op een Nederlandse politiekazerne op 18 november maken Rai en zijn mannen een berg wapens buit.

Een dag later ‘zegent’ Rai zijn manschappen bij een hindoeïstische tempel en doopt hen Ciung Wanara, een mythologisch begrip waarin slimheid, kracht en magie samenkomen. Nyoman Dauh is erbij en weet nog precies wat Rai zegt. „Jullie moeten alles geven, samen met mij! We vechten tot het einde!” Het is de laatste keer dat Dauh de verzetsleider ziet.

Lees ook deze recensie: Dit boek doet gruwelijke onthullingen over de geheime Nederlandse gevangenissen op Bali

Mortiergranaten

Op 20 november om zeven uur ’s ochtends, als de omsingeling is voltooid, geeft König via de veldtelefoon bevel het vuur te openen. Mortiergranaten ontploften tussen Rai en zijn manschappen. Met hun buitgemaakte wapens vechten ze terug, en hoewel ze in de minderheid zijn, drijven ze de tegenstander in het nauw, die inderhaast versterkingen optrommelt. De Ciung Wanara beginnen al „Merdeka!” – vrijheid – te scanderen.

Voorbarig. Nederlandse vliegtuigen beslissen de strijd. Zo was al bekend dat er plotseling een verkenningsvliegtuigje, een eenmotorige Piper Cub, overvloog en explosieven uitwierp. Kapitein Jacques Treffers, hoofd van de Militaire Inlichtingendienst, zat naast de vlieger in de cockpit en gooide handgranaten naar beneden, vertelde hij later.

Meer effect sorteert een aanval van een veel groter vliegtuig, waarover geen officiële rapportage bestaat ondanks getuigenverklaringen. Dat is vermoedelijk de op Bali gestationeerde Nederlandse B-25-bommenwerper die ook over mitrailleurs beschikt. Om half vijf ’s middags, als het gevecht bijna negen uur bezig is, is er nog steeds zoveel weerstand dat König zijn manschappen opdracht geeft tegen het vijandelijke vuur in „tiraillerend voorwaarts” te gaan. Als een deel van Rai’s groep probeert te ontkomen, worden ze omsingeld door Nederlandse militairen. De omsingeling is zo nauw dat de militairen schouder aan schouder staan. „Op een gegeven moment was het… schiet maar”, herinnerde Albert Siebeler zich in 2015.

Don Sweebe, die van dezelfde aanvalsgroep deel uitmaakte, richt zijn machinepistool op Rai, „die in flarden witte en zwarte rook tussen het gebladerte stond, met in zijn rechterhand een klein officierspistool”. Na het eerste salvo zakt Rai door de knieën. Hij tracht zich op te richten, waarna Sweebe een tweede salvo lost. Als Rai roerloos op de grond ligt, vliegen Siebeler en Sweebe op hem af. „Diam” (zwijg), sist Siebeler tegen de anderen. Daarna pakt hij zijn zakdoek, legt die op het gezicht van Rai, gaat staan en schreeuwt over het rokende slagveld: „Rai Matie!” (Rai is dood!). Er klinkt trompetgeschal, het teken dat het vechten ten einde is.

„En zo zijn ze allemaal doodgegaan”, vertelde Siebeler. Maar uit verschillende Balinese bronnen komt naar voren dat degenen van de Ciung Wanara die nog in leven waren alsnog met bajonet of dolk werden gedood of zijn doodgeschoten. Ze werden van wapens, horloges en ringen ontdaan. De bevolking moest de lijken bijeenhalen. Gezichten en ruggen lagen open, ledematen ontbraken, velen hadden brandwonden. Nyoman Dauh vertelt dat ze de gedode strijders naar Marga sleepten, hen wasten en een kleine tempel voor ze bouwden, „om gezien te worden en erkend”.

Het dodental werd destijds op 96 geraamd. Maar verschillende getuigen op Bali herinneren zich dat er meer dan tweehonderd lijken op de markt van Marga lagen. Ook verschillende Nederlandse bronnen spreken van veel meer doden. Onder hen de vrouw van KNIL-militair Don Sweebe, tevens secretaresse van majoor König. Beiden zijn inmiddels overleden, maar de vrouw vertelde haar zoon Rob dat ze meer dan tweehonderd lijken op het marktplein had geteld: „Al die doden op een rij, doorzeefd met kogels.”

Sweebe zelf vertelde zijn zoon dat er voorafgaand aan de slag bij Marga in omliggende gebieden ook veel doden waren gevallen, wat het hogere aantal zou kunnen verklaren. De lijken werden opgestapeld om de bevolking af te schrikken: „Als in: dit gebeurt er als je tegen ons in opstand komt. Het heeft mijn moeder erg aangegrepen”, aldus Rob Sweebe. De Nederlanders lieten zelfs gevangenen uit andere plaatsen overkomen om naar de lijken te kijken, blijkt uit Balinese bronnen.

Lees ook: ‘Op de vlucht neergeschoten’

Ondergedoken

Rai’s oudste zoon, Yudhana, was vijf jaar oud toen zijn moeder het nieuws kreeg dat haar echtgenoot was overleden. Yudhana, nu 80, herinnert zich huilende familieleden, van wie sommigen tevoorschijn waren gekomen uit het bos waar ze ondergedoken waren. Ook onder de bevolking werd massaal gerouwd. Massa’s mensen stroomden naar het slagveld en de plek waar Rai was opgebaard. Zijn begrafenis – de ceremoniële crematie was pas in de jaren zestig – vond eind december plaats temidden van grote spanning. Yudhana: „Duizenden begeleidden het dode lichaam van mijn vader. Zij waren niet bang voor de Nederlanders.”

Het tijdstip van de begrafenis was niet zomaar gekozen. Hij vond plaats na de Denpasar Conferentie in de Balinese hoofdstad, waar onder Nederlandse leiding door landvoogd Huib van Mook die nieuwe Indonesische staat werd opgericht: Negara Indonesia Timur, Oost-Indonesië. Voor die conferentie zou het oog van de wereld op Bali zijn gericht, en was het essentieel dat Bali een ordentelijke, aan Nederland loyale indruk zou maken. Java en Sumatra bleven onder gezag van de Republiek. Volgens ‘Linggadjati’ zou Nederland Soekarno’s Republiek erkennen, waarna die samen met het nieuwe Oost-Indonesië een Indonesische federatie onder Nederlandse kroon zou vormen. Rai’s strijd doorkruiste fundamenteel het idee van zo’n vreedzame en aan Nederland loyale helft van de gedroomde federatie.

Niet toevallig: op hetzelfde moment werd ook het beruchte Depot Speciale Troepen, onder wie kapitein Raymond Westerling, op het onrustige Zuid-Sulawesi afgestuurd, dat eveneens onderdeel uit moest maken van Oost-Indonesië.

De slag bij Marga was dan ook geen Nederlandse reactie op de Balinese overval op de politiekazerne, een noodgedwongen, toevallige actie tegen een groep ‘terroristen’, zoals de operatie meteen erna werd voorgesteld. Uit archiefonderzoek blijkt een grondige voorbereiding en zelfs dat de datum van de actie al veel eerder was vastgelegd.

Uit verschillende bronnen komt ook de suggestie naar voren dat Rai in de val is gelokt. Albert Siebeler, hoofd van de Militaire Veiligheidsdienst, die voor de oorlog als Prayoda-instructeur hartelijk was ontvangen door Rai’s familie, suggereerde bijvoorbeeld dat hij tegen inlichtingenchef Treffers had gezegd dat Rai hem als vriend vertrouwde. Hij liet merken daarover wroeging te hebben.

De op Bali immens populaire Rai zomaar doden, een officieel erkende officier van Soekarno’s leger, dat was een slechte boodschap richting diens Republiek, waarmee nu net een wapenstilstand tot stand was gekomen.

PvdA-politicus en journalist Frans Goedhart, die Bali in de zomer van 1946 bezocht, had nota bene in Het Parool geschreven dat de Balinese verzetsgroep geen ‘rampokkers’ [oproerkraaiers] waren, zoals de legerleiding steeds deed voorkomen, maar goed opgeleide, intelligente ‘partizanen’. Wat het verraad tegen Rai precies behelsde, blijft vermoedelijk onopgehelderd; Siebeler overleed in 2015 op honderdjarige leeftijd, vlak voor een tweede gesprek.

Koloniaal narratief

Het wegmoffelen of verdraaien van de gebeurtenissen op Bali doortrok de geschiedschrijving. De strijd tegen de Nederlanders leverde Rai in Indonesië de titel van nationale held op en het vliegveld op Bali werd naar hem vernoemd. Maar in Nederland viel een stilte. Dat er een goed georganiseerde guerrilla op het eiland losbarstte tegen de terugkeer van Nederlands gezag waarbij duizenden Balinezen omkwamen en nog veel meer zijn gemarteld, daarover is weinig in het collectief geheugen beland. Ook tijdens de jongste herdenking bij het oorlogsmonument in Marga ontving Bali geen Nederlandse vertegenwoordiger. Voor zijn „strijd tegen terroristen” op Bali werd König onderscheiden met het Bronzen Kruis, is nog steeds te lezen op de website van het ministerie van Defensie. Zo is het koloniale narratief nooit gecorrigeerd.

Jonge Balinezen, zoals journaliste en auteur Ni Ketut Sudiani en dichteres en historica Ni Made Frischa Aswarini, plaatsen de Puputan Margarana vooral in een breder perspectief. Aswarini vindt dat de aandacht op Bali niet alleen moet uitgaan naar Rai’s strijd. „Vele Balinezen weten niet hoe de oorlog het leven van gewone mensen beïnvloedde.” Sudiani ontdekte geheel toevallig dat haar grootvader er als klein jongetje getuige van was dat zijn vader als burger deelnam aan het verzet en zelf ook is gemarteld in een van de gevangenkampen op Bali. „Mijn grootvader droeg een grote wond, waarover wij in de familie nooit hebben gepraat.”

Het viel de inmiddels overleden veteraan I Nyoman Nita, die de troepen van Rai destijds in Marga van eten voorzag, zwaar om terug te denken aan die moeilijke tijd. Hij praatte er niet vaak over. Rai noemde hij een man met een ‘groot hart.’ „Het is beter om te sterven dan om gekoloniseerd te zijn.” Vele Balinezen betaalden de hoogste prijs voor de vrijheid. Hun dood was een gevolg van een dwingende dekolonisatiepolitiek, die niet anders dan in een geweldsspiraal kon eindigen. De Puputan Margarana was het resultaat van de koloniale geschiedenis, maar markeerde ook het begin van een Indonesische toekomst op Bali.