Opinie

Code zwart toetst de staat van ons land

Corona Code zwart gaat niet over wie er mag leven en wie niet, maar over het verdwijnende vermogen om naar elkaar te luisteren, aldus .
Maart 2020, spandoeken voor het personeel van het OLVG in Amsterdam.
Maart 2020, spandoeken voor het personeel van het OLVG in Amsterdam. Foto Olivier Middendorp

Van die momenten waarop je weet waar je was. De val van de Berlijnse muur, 9/11, het begin van de lockdown. Ik had dienst gehad in het ziekenhuis en reed rond een uur of elf ’s avonds over een doodstille Overtoom, een straat waar altijd reuring is. Een pandemie, een historische gebeurtenis, dacht ik toen nog. Niet veel later volgde dat waar de geschiedenisboeken vol mee staan; er kwamen helden, maar ook slachtoffers. Er werd geklapt, maar ook gevloekt. Een pandemie. Een oorlog tegen een onzichtbare vijand.

Net als je misschien als soldaat wel wat meer leeft als het oorlog is, werd werken in de zorg betekenisvoller dan ooit. Vanaf het begin van de pandemie was er in het hele ziekenhuis een ongekend gevoel van solidariteit. Juist in tijden waarin artsen en verpleegkundigen steeds gespecialiseerder waren gaan werken, leek iedereen te begrijpen dat we voor elkaar in de bres moesten springen.

En zo werden anesthesiemedewerkers getransformeerd tot IC-verpleegkundigen, orthopeden tot beddendraaiers, radiologen tot empathische telefonisten die familie te woord stonden. Of er nu geklapt werd of niet, of er nu wel of geen winst werd gemaakt op mondkapjes, de zorg functioneerde zoals de zorg ooit bedoeld was.

Het deed me denken aan de tijd dat ik in La Paz in Bolivia als coassistent op de spoedeisende hulp werkzaam was. Elke week was het daar wel een dag code zwart. Met loeiende sirenes kwamen dan ineens uit alle kleine bergwegen ambulances of busjes die daarvoor moesten doorgaan. „Ayuda, gran accidente!” Binnen enkele minuten was de kleine afdeling met een rij plastic stoeltjes en een stuk of tien ‘kamers’ (van elkaar gescheiden met gordijntjes) overstroomd met slachtoffers met bolhoeden, kippen en kinderen. Meestal waren ze afkomstig van twee overvolle bussen die elkaar hadden getroffen. Samen met een van de oude chirurgen liepen we dan door de gang vol kermende mensen. Hij sorteerde ze even snel als een croupier in een casino. We wisten dat we niet iedereen konden helpen. Maar ook zij hadden daar vrede mee.

In het ziekenhuis in La Paz, Bolivia, is het elke week code zwart

De afgelopen tijd is niet makkelijk geweest voor de Nederlandse samenleving, waarschijnlijk voor geen enkele wereldburger. Het virus heeft ons laten zien dat we nietige wezens zijn, lang niet zo onschendbaar als we dachten. Nu praten we zelfs over ‘code zwart’, afkomstig uit de triage die we toepassen als er sprake is van een ramp of ernstige verstoring van de openbare veiligheid. Denk aan een bomaanslag of een tsunami. Iets wat verschrikkelijk is, maar waarvan je ook weet dat het eindig is. In dergelijke situaties kunnen mensen meer dan ze zelf voor mogelijk hadden gehouden. Ze kunnen levens redden, maar ook accepteren dat er een verlies wordt geleden. Juist omdat de situatie eindig is.

De pandemie is echter een onzichtbare en even onvoorspelbare vijand. En dan is een scenario, bedoeld voor een kortdurende ramp, wellicht een slecht idee. De uitzonderlijke solidariteit en toewijding van zorgverleners om maandenlang een stap extra te zetten in ziekenhuizen en daarbuiten, is niet eindeloos vol te houden. De flexibiliteit en de vindingrijkheid van horeca-eigenaars, ondernemers en kunstenaars om het hoofd boven water te houden, heeft een grens.

We kijken vaak met enige meewarigheid naar ‘ontwikkelingslanden’ en ‘gelukzoekers’. Ze leven met de dag, hebben hun zaken niet op orde, geen infrastructuur om een pandemie als deze de baas te kunnen en moeten daarom hopen dat de rijke landen een hand over hun hart strijken en hun wat restvaccins gunnen. Maar in hoeverre verschillen wij in Nederland van hen?

Lees ook: De crisisweek van ziekenhuisdirecteur David Jongen: ‘Ik denk dat we nog twee operatiekamers moeten sluiten’

Offer brengen

Deze pandemie is niet een wedstrijd tussen een virus en de mens, het is een toets van de staat van ons land. We kunnen niet al twitterend of in een talkshow even snel een mening geven, een Kamerdebat organiseren en dan een verantwoordelijke minister naar huis sturen. We kunnen niet polderen tot we een soort ‘fifty shades of grey’ van het code zwart-scenario hebben uit onderhandeld zodat iedereen tevreden is maar we eigenlijk niets hebben bereikt. Deze tijd vraagt dat de verantwoordelijke minister blijft zitten als hij een fout maakt en dat we als burgers begrijpen dat we in deze tijd allemaal een offer moeten brengen.

Als mensen aan mij vragen of ze gevaccineerd moeten worden, zeg ik ze dat ik vertrouwen heb in een expert. Net als een viroloog aan mij zal vragen of ik zijn blindedarm kan verwijderen als die ontstoken is, of ik mijn bougies laat vervangen door een automonteur, of mijn brood haal bij een bakker.

De huidige gesprekken die we hebben in de samenleving of misschien juist de gesprekken die we niet meer hebben omdat we niet meer luisteren, zijn nu belangrijker dan ooit. Wat vinden we belangrijk? Waar hebben we geld voor over? In welk land willen we onze kleinkinderen groot zien worden?

Code zwart gaat niet over wie er mag leven en wie niet, code zwart gaat over het verdwijnen van het vermogen om naar elkaar te luisteren.