Analyse

Bij wie begint een beter milieu nou echt?

Essay verduurzaming Gooi gebruikte kleding in een textielbak, eet geen vlees, koop geen plastic flesjes. Hoeveel kun je als individuele consument nu echt bijdragen aan verduurzaming? Dat vraagt nogal wat. De echte keuzes zijn uiteindelijk aan de politiek.

Foto Thomas Nondh Jansen

Zonnepanelen zijn goed voor het klimaat. Maar eerder dit jaar bleken ze ineens niet zo goed voor de arbeiders in Xinjiang. Mogelijk worden in die regio leden van de Oeigoerse minderheid door de Chinese overheid onder dwang tewerkgesteld in fabrieken voor polysilicium, de grondstof voor zonnepanelen. En er is bijna geen ontkomen aan. Want zo’n 80 procent van alle polysilicium in de wereld komt uit China. Mensenrechten versus klimaat – zeg het maar.

Dit soort dilemma’s bestaat niet alleen voor zonnepanelen. Burgers die een duurzame keuze willen maken, komen ze ook tegen bij de aanschaf van kleding of elektronica, bij de verbouwing van hun huis, de koop van een auto en bij winkelen in de supermarkt.

Wat te denken van modemerk H&M, dat trots is op zijn duurzaamheidsbeleid en tegelijkertijd alles in het werk stelt om mensen aan te zetten tot kopen van kleren die ze vaak niet echt nodig hebben? In ruil voor een zak oude kleding deelt het bedrijf kortingsbonnen uit voor nog meer fast fashion. De tweedehands kleding wordt verkocht, en als dat niet kan, worden de vezels zo mogelijk teruggewonnen als grondstof voor nieuwe kleren. De rest wordt omgezet in energie – een vriendelijke manier om te zeggen dat die de vuilverbranding ingaat.

Is een iPhone een verantwoorde keuze nu moederbedrijf Apple heeft beloofd in 2030 al zijn producten koolstofneutraal te produceren én alle stroom die nodig is om ze te gebruiken duurzaam op te wekken? Als klant vraag je je af hoe ze dat laatste voor elkaar willen krijgen. En hoe duurzaam zijn al die software-updates die ervoor zorgen dat de hardware veel sneller veroudert dan nodig is?

Zijn elektrische auto’s werkelijk goed voor het klimaat? Volgens The International Council on Clean Transportation zijn ze over de hele levenscyclus ongeveer de helft zuiniger. Die conclusie is drie jaar oud, dus het zal nu wel iets meer zijn dan de helft. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) telt Nederland zo’n 8,8 miljoen auto’s. Stel dat die allemaal elektrisch zouden zijn, dan is het Nederlandse wagenpark omgerekend zo ‘zuinig’ als ruim 4 miljoen benzineauto’s. Dat klinkt nog steeds als veel.

Hoezeer ze inmiddels ook koketteren met hun duurzaamheidsbeleid, veel bedrijven kijken eerst met een schuin oog naar de winstmarges van dat beleid

Een plantaardig dieet is goed voor klimaat en milieu. Maar de opmars van de avocado is toch problematisch. De Nederlandse import is volgens het CBS de afgelopen twintig jaar gegroeid van 15 miljoen kilo naar 373 miljoen kilo, veelal uit Latijns-Amerikaanse landen. Daarvan wordt 33,5 miljoen kilo in Nederland geconsumeerd (de rest gaat verder Europa in). Voor een kilo avocado is ongeveer 2.000 liter water nodig, dus importeert Nederland met al die vruchten voor eigen gebruik ook 67 miljard liter water uit gebieden die regelmatig geteisterd worden door droogte. De avocadoteelt in Latijns-Amerika is bovendien steeds vaker in handen van criminele bendes. Die hebben niet zoveel met duurzame teelt.

De voorbeelden laten zien hoe moeilijk het voor consumenten is om duurzame keuzes te maken. Ze laten ook zien dat het nog maar de vraag is of een beter milieu bij jezelf begint, zoals het oude adagium luidt, zolang bedrijfsleven en overheid niet de juiste voorwaarden creëren.

In zijn boek Een beter milieu begint niet bij jezelf schrijft klimaatjournalist Jaap Tielbeke over wat hij noemt „de mythe van de schuldige mensheid”. Het kwam bedrijven en overheid lange tijd goed uit om de verantwoordelijkheid bij de consument te leggen. Maar daarmee werd volgens Tielbeke de politieke aard van de klimaatcrisis ontkend en bleven economische en maatschappelijke machtsverhoudingen buiten beschouwing. Dat burgers hun levensstijl willen verduurzamen, prima. Maar de echte bijdrage moet komen van bedrijven die de impact van hun productieketen op klimaat en milieu tot een minimum beperken. En van een overheid die daar met strenge richtlijnen op toeziet.

Hoezeer ze inmiddels ook koketteren met hun duurzaamheidsbeleid, veel bedrijven kijken eerst met een schuin oog naar de winstmarges van dat beleid. Shell-topman Ben van Beurden stelde bijvoorbeeld jarenlang dat de verantwoordelijkheid van zijn bedrijf stopt bij de pomp. Wat kan Shell er aan doen dat zijn klanten vragen om diesel en benzine? Indirect legde Van Beurden zo de verantwoordelijkheid voor het beleid van Shell – oppompen wat we kunnen oppompen – bij het individu.

Dit voorjaar maakte de rechtbank in Den Haag korte metten met dat standpunt. In een rechtszaak tegen Shell eiste Milieudefensie dat het bedrijf zich volledig committeert aan het klimaatakkoord van Parijs. De rechter was het daarmee eens en concludeerde dat Shell niet alleen verantwoordelijk is voor de manier waarop olie en gas worden gewonnen en verwerkt (in technische termen: scope 1) en voor de samenwerking met toeleveranciers (scope 2), maar ook voor de milieugevolgen van al zijn producten (scope 3).

Foto Thomas Nondh Jansen

Bedrijven zijn door die uitspraak gewaarschuwd. Allemaal kunnen ze op termijn worden afgerekend op de volledige impact van hun beleid voor klimaat en milieu – dus ook op wat er met hun producten en diensten gebeurt. En dat heeft verstrekkende gevolgen. Critici van de uitspraak tegen Shell vroegen zich af of de oliemaatschappij vanaf nu bij al zijn tankstations een bord moet plaatsen met de tekst: rij hier voorbij.

Het klinkt als een grap, maar in feite is dit wat energiemaatschappijen al lang doen. Zij roepen hun klanten op hun huis te isoleren, de thermostaat lager te zetten, apparaten niet op stand-by te laten staan. Alsof ze echt het liefst zo min mogelijk van hun elektriciteit en warmte willen verkopen.

De noodzaak om duurzaam te produceren is door het snel veranderende klimaat zo hoog dat bedrijven veel verder zullen moeten gaan dan CO2-uitstoot compenseren of statiegeld vragen op plastic flesjes. Misschien moet Volkswagen wel veranderen van een autoproducent in een aanbieder van individuele mobiliteit. En misschien moet een supermarkt wel een groot deel van zijn assortiment uit de schappen verwijderen en alleen de duurzaamste varianten van een product overhouden. Zo gek is dat niet; winkels als Green Up in Utrecht en Van Nature in Nijmegen werken al met dat uitgangspunt.

Bedrijven die deze verandering uitstellen, zullen een toenemend risico lopen. In de financiële wereld zijn ‘stranded assets’ inmiddels een begrip. Het gaat daarbij om investeringen in bedrijven die passen bij de oude, fossiele economie en waarvan het in toenemende mate de vraag is of dat geld nog zal worden terugverdiend – bijvoorbeeld omdat de overheid de uitstoot van broeikasgassen verder aan banden legt, of omdat er domweg geen vraag meer is naar het product van zo’n bedrijf.

Nu wordt nog vooral gekeken naar mogelijke stranded assets van grote vervuilers als kolencentrales, olieconcerns en andere multinationals. Maar waarom zouden investeringen in kleinere bedrijven niet ook kunnen stranden, bijvoorbeeld als ze te veel energie of water gebruiken, als ze te veel vervuiling veroorzaken en hun milieubeleid niet op orde hebben?

Dat legt een grote verantwoordelijkheid bij de overheid. Die zal de voorwaarden moeten scheppen om bedrijven de juiste kant op te duwen. Ook moet ze maatregelen nemen om te voorkomen dat achterblijvers, bedrijven die treuzelen met duurzaamheidsbeleid, kunnen profiteren van dat lakse milieubeleid. De overheid heeft de verantwoordelijkheid gelijke concurrentievoorwaarden voor bedrijven te scheppen, zodat het niet langer financieel aantrekkelijk is om duurzaamheidsbeleid uit te stellen.

We hebben onszelf ervan overtuigd dat ons leven heel normaal is. Maar de getallen vertellen een ander verhaal

Kevin Anderson onderzoeker klimaatbeleid

Dat vraagt nogal wat. Het gaat al lang niet meer over de vraag hoe je burgers uitlegt dat het geen kwaad kan af en toe vlees te laten staan – en zelfs dat advies durfde het ministerie van Economische Zaken en Klimaat in 2019 niet op te nemen in de publiekscampagne ‘Iedereen doet wat’. Het vereist een visie op een toekomst die er heel anders uit zal zien. „Wie dat eenmaal tot zich laat doordringen”, schrijft Tielbeke, „begrijpt ook op welke manier we naar antwoorden moeten zoeken.” Het gaat volgens hem dan niet meer over compensatie van de CO2-uitstoot van vliegreizen, maar over het aan banden leggen van het luchtverkeer. Niet over veganisme, maar over afschaffing van de intensieve veehouderij. Niet over subsidie voor elektrische auto’s, maar over investeren in openbaar vervoer.

Maar kun je als individu dan achteroverleunen en afwachten tot de voorwaarden zijn geschapen voor je eigen duurzame leven? Nee. Volgens Ingrid Robeyns, hoogleraar aan de Universiteit Utrecht en gespecialiseerd in klimaatethiek, heeft het individu wel degelijk een verantwoordelijkheid. In een interview in dagblad Trouw zei ze: „Eigenlijk is het heel simpel: mensen in rijke landen stoten meer schadelijke stoffen uit dan de atmosfeer kan opnemen. We nemen dus meer dan onze fair share, meer dan wat de aarde per bewoner kan opbrengen. En met die levensstijl brengen we anderen schade toe.”

Wetenschappers van het Sustainability Research Institute van de universiteit van Leeds becijferden in maart 2020 in een artikel in Nature Energy op basis van onderzoek in 86 landen dat het verschil tussen arm en rijk in het energieverbruik heel groot is. De armste helft van de mensheid gebruikt slechts zo’n 20 procent van alle energie, en dat is nog steeds minder dan wat de rijkste 5 procent gebruikt. „We hebben onszelf ervan overtuigd dat ons leven heel normaal is”, zei Kevin Anderson, hoogleraar aan het Tyndall Centre voor onderzoek naar klimaatbeleid in Manchester, naar aanleiding van het onderzoek tegen de BBC. „Maar de getallen vertellen een ander verhaal.”

Wie zich dat realiseert, beseft ook dat dit geen discussie is over afval scheiden of bloembollen kopen die ‘On the way to PlanetProof’ zijn, zoals een bekend milieukeurmerk het noemt. Dat helpt allemaal óók. Maar de echte verandering vindt plaats in een heel andere arena, waar niet de consument, maar de burger – als activist, aandeelhouder of deelnemer in een pensioenfonds – zijn stem laat horen en verandering afdwingt.