De tragiek van de legendarische sprong van Rotterdammer Lou Vlasblom

Boek | De jongen die van De Hef dook De jonge Lou Vlasblom dook in 1933 van De Hef in Rotterdam, 67 meter hoog. Hij overleefde, werd gevierd. Tot een week later een andere jongen zich te pletter sprong. Historicus Siebe Thissen raakte geobsedeerd door het verhaal en schreef er een boek over. „Het lijkt een stuk fictie, een stadsmythe.”

Vlasblom in 1956 op De Hef, op het plateau waar hij in 1933 vanaf sprong.
Vlasblom in 1956 op De Hef, op het plateau waar hij in 1933 vanaf sprong. Foto’s Henk Blansjaar. Nationaal Archief/Collectie Spaarnestad Photo

Siebe Thissen staat op de kade op het Noordereiland, zijn blik op de noordelijke toren van De Hef. Hij wijst naar de plek waar Lou Vlasblom in januari 1933 moet hebben gesprongen, vanaf 67 meter hoog zo de Maas in, naar verluidt met een dubbele salto. „Hij kende geen angst, had geen hoogtevrees”, zegt Thissen, historicus en auteur van verschillende boeken over Rotterdam. „Kou maakte hem niks uit.”

Thissen hoorde in 1985 voor het eerst over Vlasblom, na een optreden van een punkband in het nabijgelegen Poortgebouw. De gitarist, een oude schoolvriend, vertelde hoe de jongeman „als een acrobaat” van de Hefbrug was gedoken. Thissen sprak er meer mensen over, las erover. Een anekdote werd langzaam een obsessie. Als hij met zijn kinderen in de buurt van De Hef was, kon hij het niet laten het (weer) te benoemen. „Kijk, daar sprong hij. Nooit vertoond.”

Jarenlang verzamelt hij krantenartikelen, foto’s en ander archiefmateriaal, als project voor later. Door de pandemie was hij vaak aan huis gekluisterd en kon hij het boek nu al schrijven. Deze zaterdag komt De jongen die van De Hef dook uit. Een „soort bluessong” over Rotterdam, noemt hij het. Naast het waarom van de sprong is het ook een geschiedschrijving van Rotterdam in crisistijd.

Het verhaal over Lou Vlasblom is vooral bekend onder oudere Rotterdammers, vaak doorgegeven van vader op zoon. Thissen: „Sommigen zeggen: hij viel toch dood? Het lijkt een stuk fictie, een stadsmythe, een jongensboek.”

Hij wilde het verhaal cultiveren, schrijft hij. De sprong als tijdsbeeld van de minder uitvoerig beschreven jaren vóór de Tweede Wereldoorlog. „Het gaat in Rotterdam vaak over de wederopbouw, over steen en staal”, vertelt Thissen op een terras op het Noordereiland. „We besteden veel minder aandacht aan de mensen die in dat steen en staal leefden.” Terwijl dit soort lokaal bekende verhalen de stad juist veel betekenis geven, vindt hij.

Thissen: „Ik was gefascineerd: wie was hij? Hij sprong in januari. Wie duikt er nou van een brug in de winter?”

Darmenschrapper

Het is een nevelige zaterdag, 14 januari 1933, uur of vier, rond het vriespunt. Lou Vlasblom (19), een lange pezige jongen, heeft die dag gewerkt in het slachthuis in Crooswijk, waar hij darmenschrapper is. Hij gaat nog even zwemmen zegt hij tegen zijn moeder, als hij van huis vertrekt. Dat doet hij bijna iedere dag, in open water – in de Rotte, de Kralingse Plas of de Maas.

Dat hij graag zwemt en duikt, is te verklaren: zijn moeder is een Sperling, een bekende Zuid-Hollandse duikersfamilie. En duiken is een populaire sport in die tijd, met name op Katendrecht en het Noordereiland.

Steeds gaan ze iets hoger. Eerst van een kade, dan van een hijskraan en uiteindelijk van een brug. Lokale bekendheid Aad van Welzenes, internationaal voetbalscheidsrechter en rechtsbuiten bij Xerxes, duikt in 1932 van de Willemsspoorbrug: 27 meter, een Nederlands record. Hij haalt het Bioscoopjournaal.

Een levendige competitie om de hoogste sprong ontstaat. Al na een week verbreekt de werkloze tiener Jacob van Holst het record, door een zeer riskante sprong van een kolentip – een hijsconstructie – bij Katendrecht: 33 meter. Vlasblom ziet het zelf, hij staat tussen het publiek. Hij weet dat het nog veel hoger kan. Zijn voorbeeld is Steve Hammond, de New Yorker die van een brug over de Hudson dook – 56 meter hoog, het wereldrecord.

Kameraad Joop helpt hem

Om een sprong van betekenis te maken moet hij van De Hef duiken, weet Vlasblom. De brug, een paar jaar eerder gebouwd als spoorweg over de Koningshaven, heeft veel aanzien. Geholpen door de twee torens van bijna 80 meter. Via een trappetje is de top te bereiken.

Anders dan zijn stadsgenoten die eerder van grote hoogtes doken, geeft Vlasblom geen ruchtbaarheid aan zijn plan. De enige die hij erover vertelt is zijn kameraad Joop Wijmans. „Vandaag is het zover. Je zal zien dat ik het doe!”, zegt hij tegen hem. Wijmans moet hem helpen. Het water is vervuild met olie en benzine, er zwemmen ratten, hout drijft onder de brug. Wijmans zal vanaf de kade met een witte zakdoek zwaaien zodra het water vrij van troep is.

Vlasblom (in wit overhemd) met zijn vrienden, eind jaren 30. Links zijn kameraad Joop Wijmans. Foto Collectie familie Vlasblom

Vlasblom klimt de noordelijke toren in. De paar omstanders die hem vanaf de kade nog schreeuwend op andere gedachten proberen te brengen, zijn te laat. Vlak onder een groot kabelwiel in de top van toren vindt Vlasblom een klein plateau. Hij trekt zijn overjas uit om af te koelen na de zware klimpartij, geniet nog even van het uitzicht en rookt een sigaret – merk Pirate Cigarettes.

Hij stopt een zakdoek in zijn mond, een slimmigheidje waarover hij heeft gelezen: dat moet voorkomen dat zijn adem tijdens de sprong stokt. Hij zwaait nog naar beneden en concentreert zich.

De sprong heeft hij helemaal in zijn hoofd. „Een aanloop… even zweven… dan een salto… een stukje recht naar beneden… nog een salto en dan hop recht het water in”, vertelde Vlasblom later tegen het Rotterdamsch Nieuwsblad. „Het gaat om de afzet. De afzet moet het doen. Ik moest vrij zien te komen van de toren.”

Als zijn kameraad het sein veilig geeft, springt Vlasblom de diepte in. Om de val af te remmen maakt hij twee salto’s en landt rechtstandig in het water. „Iedereen dacht dat de jongen zijn roekeloze daad met de dood had bekocht”, schrijft Thissen. Maar hij komt weer boven water. Op het droge wordt hij ingerekend door een agent, die hem op bureau Nassaukade warme chocolademelk aanbiedt. Vlasblom krijgt een proces-verbaal vanwege ‘zwemmen in verboden water’ en ‘bewandelen van verboden terrein’.

„Ik wist dat de eerste salto al direct goed was”, zegt Vlasblom de volgende dag tegen verslaggevers. Van de klap voelde hij bijna niets. Met 67 meter gaat de sprong als record de boeken in. Al claimt Vlasblom dat het 69,5 meter is, want het was eb.

Twijfel bij natuurkundigen

Thissen deed in zijn jeugd aan turnen en trampolinespringen. En voerde stuntjes uit op de hoge duik. „Ik herken de lol van springen en salto’s.” Toch kan hij de sprong van Vlasblom niet visualiseren. „Hoe moet je met die val, met die snelheid, een dubbele salto maken?”

Natuurkundigen berekenden dat een dubbele salto, vanaf bijna zeventig meter en een snelheid van 135 kilometer per uur, onmogelijk zou zijn, schrijft Thissen. Vlasblom heeft dat altijd tegengesproken.

Reconstructie van de sprong, met dubbele salto (knipsel uit het plakboek van Lou Vlasblom). Foto Collectie familie Vlasblom

Opmerkelijk is dat hij de stad ín springt, naar het westen, niet richting Kralingen. Thissen: „Heel wonderlijk, want daar had hij meer ruimte gehad.”

Hoewel bij de sprong geen journalist ter plaatse is, staan de kranten de volgende dagen vol met verhalen over Vlasblom. Opeens is hij een bekende Rotterdammer. Hij wordt door burgemeester Pieter Droogleever Fortuyn ontvangen op het stadhuis en ontmoet daar ook KLM-directeur Albert Plesman, die hem een opleiding tot mecanicien in het vooruitzicht stelt – Vlasbloms droombaan is piloot.

Diezelfde dag wordt hij gehuldigd in het Grand Theatre van ondernemer Abraham Tuschinski. Die heeft een feilloos gevoel voor entertainment: de Crooswijkse bokslegende Bep van Klaveren werd hier ook gehuldigd na zijn gouden medaille op de Spelen van 1928 in Amsterdam.

Vrijdagavond 20 januari 1933 zit de zaal aan de Pompenburgsingel volgepakt met 1.500 man, als de bekende zanger en cabaretier Alex de Haas de waaghals het podium oproept, staat gedetailleerd in het boek: „Hier is de grote kampioen, de houder van het wereldrecord duiken, onze stadgenoot: Lou Vlasblom!”

De huldiging van Vlasblom (links) in het Grand Theatre na zijn sprong, met presentator Alex de Haas. Foto Collectie familie Vlasblom

Aandachtige bezoeker is de 20-jarige schippersknecht Jan Tabbernee, die ook uit het armlastige Crooswijk komt. Wat Lou Vlasblom kan, kan hij ook, denkt hij. De ochtend na de huldiging vertelt hij zijn moeder over zijn plan. Eerst bezoekt hij zijn stiefvader nog, die herstelt in het ziekenhuis van een ziekte – en geeft hem een bos bloemen. Als hij naar De Hef loopt, praten vrienden nog op hem in af te zien van de sprong. Tabbernee wil niet luisteren, klimt de brug op, helemaal tot op de kabelwielen: 72 meter hoog.

Het is nog kouder dan een week eerder. Weifelend springt Tabbernee. Met een enorme klap komt hij neer op het water, schrijft een krant. „Het lichaam kwam niet meer boven. Het water kleurde rood.” Het toegangsbewijs van de huldiging van de avond ervoor wordt in de binnenzak van zijn colbert gevonden.

Lou was een week de held van de stad, daarna werd hij gezien als een marionet van de vermaakindustrie

Siebe Thissen auteur

De dood van Tabbernee is tevens de tragiek van Vlasblom. Hem wordt verweten dat hij Tabbernee de dood in heeft gejaagd, zegt Thissen. „Hij was een week de held van Rotterdam, daarna werd hij gezien als een marionet van de vermaakindustrie. Dat geluid kwam met name uit de katholieke en christelijke kranten.”

‘Lou de onverschillige’

Hij deed het echt voor de prestatie, benadrukte Vlasbloms nog levende dochter José tegen Thissen. „Hij had een perfecte beheersing van zijn lichaam. Het Rotterdamsch Nieuwsblad neemt het ook voor hem op als de kritiek losbarst: die schrijven dat hij een geweldige sportman is”, zegt Thissen. Dochter José vertelde hem dat Vlasblom precies wist welke snelheid hij had, hoe je met salto’s een val kon breken en het tempo kon vertragen.

Vlasblom trok zich de dood van Tabbernee aan. „Ik wou dat ik ’t niet gedaan had”, zegt hij in 1956 in Panorama over zijn sprong. Hoger dan De Hef heeft Vlasblom nooit meer gedoken.

Hij was een gesloten, naar binnen gekeerde man, zegt Thissen. ‘Lou de onverschillige’, noemden zijn vrienden hem. Een „binnenvetter”, zegt zijn dochter in het boek. „Het leven vrat aan hem.”

Vlasblom overleed in 1990. Een straat is niet naar hem vernoemd. Thissen zat in de Rotterdamse straatnamencommissie, maar heeft het nooit geopperd omdat hij te dicht bij het onderwerp staat. „Ik hoop dat het ooit nog gebeurt.”