Misdaad op het Oudekerksplein

Literaire plekken | Amsterdam Guus Luijters schrijft op gezette tijden over de literaire plekken van Amsterdam.

De roman De inbreker van toneelschrijver A. Defresne verscheen in 1961. Of Defresne, die in april van dat jaar op 67-jarige leeftijd overleed, het verschijnen van het boek nog heeft meegemaakt, weet ik niet. Het succes van de verfilming elf jaar later kwam voor hem in ieder geval te laat. In de film, die geregisseerd werd door Frans Weisz, speelde Rijk de Gooijer de rol van de inbreker en dat deed hij goed, zoals ook Jon Bluming als zijn sidekick er wezen mocht, terwijl Slofje, gespeeld door Jennifer Willems, net als in het boek de show stal.

De inbreker begint op een zomerse zaterdagavond in 1959 in ‘een donker, eenzaam steegje in de Zeedijkbuurt van Amsterdam’ – de Wijde Kerksteeg, vermoed ik. De twee mannen die er met elkaar staan te praten zijn Willem Burke en De Bonk. Burke werd eerst ‘Wimpie’ genoemd en later ‘de Glimworm’, tot die twee namen samenvloeiden tot ‘Glimmie’. ‘Hij had’, schrijft Defresne, ‘inderdaad iets glimmends’. Zijn schoenen zijn glimmend gepoetst, zijn haar glimt van de brillantine en hij heeft een voorliefde voor flonkerende juwelen.

De Bonk is groot, zwaar, dom en sterk en, aardig detail, De Bonk is geen bijnaam, hij heet echt zo. De inbreker speelt rond het Oudekerksplein, tussen de hoeren en de pooiers, in bordelen en cafés. ‘Uit de paars, rood en geel verlichte bars’ klinkt muziek en in de deuren staan ‘zwaar geschminkte vrouwen en hier en daar een bokserachtige portier’.

Tegen dit decor voltrekt zich een misdaadverhaal waarvan ik het fijne niet heb begrepen, wat niet aan Defresne ligt maar aan mij, want in dit soort geschiedenissen raak ik altijd de draad kwijt, hoezeer ze me, zoals in dit geval, ook amuseren. Er is sprake van een nazicomplot, van twee stiletto’s waar men dacht dat er maar een was, van de moord op een meisje, een moordaanslag op Glimmie en van een plotseling opbloeiende liefde tussen De Bonk en Glimmies moeder. En net als je denkt dat het zo misschien wel mooi is geweest, meldt zich ‘een klein en heel mager meisje’ bij Glimmie: ‘Ze had een wipneusje vol sproeten en haar haar was sprieterig, piekerig en lichtblond. Ze was scharminkelijk lelijk. Alleen haar ogen waren mooi, viooltjesblauw’, en als ze schrikt kijkt ze scheel. De vijftienjarige Slofje, het nichtje van Dikke Miepie die bij Glimmie in de steeg een raam bemant, is een soort Zazie, u weet wel, het logeetje uit Zazie in de metro van Raymond Queneau. Ze is even onweerstaanbaar en als Glimmies rechterhand onmisbaar bij het ontrafelen van de plot.

In de laatste regels zitten ze tevreden tegenover elkaar, Slofje en oom Glimmie. ‘En als als we nou eens een paar weken iets van de wereld gaan zien’, stelt hij voor, ‘Brussel, Londen, Parijs.’ Slofje zegt niets, ‘maar ze keek zo vreselijk lang scheel, dat Glimmie er ongerust door werd.’

Guus Luijters schrijft hier op gezette tijden over de literaire plekken van Amsterdam.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.