Fris Edam: serviesschoonheid die een functie diende

Serviezen Fris uit Edam was in de jaren vijftig en zestig een geliefd keramiekmerk. Het kwam terecht in de collectie van het MoMA in New York. Nu is er een boek en een tentoonstelling.

Jubilant (1958), ontwerp Willem Hendrik de Vries
Jubilant (1958), ontwerp Willem Hendrik de Vries Foto Marco Bakker, styling Marijke Schipper

Je realiseert het je pas als je de prijslijst ziet. Tot in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw kochten mensen geen losse borden, kommen en bekers, maar een heel servies. Een ontbijtservies: broodschaal, vleesschaaltje, botervlootje, jampot, ontbijtbord, melkkan (1 liter), melkbeker, eierdopje. Een tafelservies: sauskom (met deksel), dekschaal (groot), dekschaal (klein), soepterrine, slabak, vleesschotel, zuurschaaltje, plat bord, diep bord, dessertbord, bouillonkop en schotel, compoteschaaltje.

De ‘Jubilant’-serviezen van de firma Fris uit Edam waren verkrijgbaar voor zes of twaalf personen. Echt goedkoop waren ze niet – een uitgebreide versie kon zomaar een paar honderd gulden kosten – maar dan had je in 1958 wél een servies dat de kunstafdeling van de Bijenkorf had gehaald. En nog steeds: 74 jaar na de opening van de N.V. Keramische Industrie Fris, in 1947, zit Fris-servies in de collecties van het MoMA in New York en het Centraal Museum in Utrecht. In 2019 was het te zien in een grote Bauhaus-tentoonstelling in Museum Boijmans Van Beuningen.

En nu kun je die tijdloos fraaie serviezen bekijken in Edam, de plaats waar ze ooit allemaal werden gemaakt. Kopjes, borden, theepotten, soepkommen: als je door het stadje loopt, kom je ze tegen in een paar speciaal ingerichte etalages – daar hangt de authentieke ‘Prijslijst Jubilant’, er waren ook nog een theeservies en een koffieservies van – maar net zo goed trots uitgestald in de vensterbanken bij mensen thuis. Alsof de hele stad indertijd de serviezen in huis heeft gehaald.

Wat misschien ook wel zo was, denk je als je het boek Fris Edam Keramiek leest, dat ter gelegenheid van de tentoonstelling Fris Springlevend! in het Edams Museum is samengesteld door twee verzamelaars, Andrea van der Veen en Ove Lucas. In elk geval vonden honderden mensen emplooi in de aardewerkfabriek, nadat Gerrit Fris die van Gouda had verplaatst naar Edam. Reden: dankzij de Zuiderzeesteunwet uit 1925 was er subsidie voor het omscholen van werkloze vissers tot draaiers, kleigieters, ovenisten, glazuurders, afwerkers, sorteerders, inpakkers en administratieve krachten. Ook veel vrouwen hadden een baan in de fabriek, je ziet ze bezig op de foto’s in het boek: behoedzaam gieten ze dunne gietklei in gipsen mallen, met een natte spons verwijderen ze oneffenheden, voor de eindcontrole bekloppen ze het aardewerk.

Zachte pasteltinten

Fris Edam Keramiek beschrijft de intrigerende geschiedenis van een keramiekmerk dat even heel bekend was, maar behalve onder liefhebbers nu grotendeels in de vergetelheid is geraakt. Er is een verklaring, of eigenlijk zijn er een aantal. De meest in het oog springende: Fris heeft te kort bestaan om de naam te doen beklijven – 22 jaar, van 1947 tot 1969. De originele vormgeving en zachte pasteltinten van de serviezen waren toen allang gekopieerd door anderen, die bovendien soms producten leverden van een technisch betere kwaliteit.

Dat pareerde Fris eerst nog met een nieuw productieproces, het Jubilant-servies was ‘oven- en stootvast’. Maar al snel was er geen houden meer aan: de markt werd overspoeld met goedkoop, buitenlands porselein. En mogelijk de belangrijkste verklaring voor de teloorgang: het bezit van een compleet servies werd niet meer gezien als nodig bij de start van een huwelijk. In 1969 werd de N.V. Keramische Industrie Fris geliquideerd.

Die relatieve onbekendheid is bijzonder onterecht besef je op de tentoonstelling – die er overigens kwam doordat een verzamelaar in 2019 bij het Edams Museum aanklopte met 38 volle kratten Fris-aardewerk: zelf had het museum op zolder en in de kelder vooral een verzameling met veel hiaten. Maar misschien ervaar je het wel vooral in het boek, waarin zo’n beetje alles is opgenomen dat indertijd is gemaakt in de fabriek: acht complete serviezen, daarnaast tientallen grote en kleine vazen en verder nog luxe gebruiksaardewerk, denk bonbonschaaltjes, gebaksstellen of bloemschikschalen. Het is voor Fris Edam Keramiek gefotografeerd in de voormalige technische school, indertijd opgericht om de zonen van vissers om te scholen voor werk aan de wal.

Het eierdopje

Door het boek bladerend zie je het krachtige ontwerp van vooral de serviezen: schijnbaar eenvoudige lijnen die het aardewerk tegelijk strak, subtiel en tijdloos maken, een effect dat nog wordt versterkt door de zachte kleuren blauw, roze, grijs of geel. Alles ademt het optimisme van die tijd van de wederopbouw, terwijl uit de ontwerpen tegelijk een grote praktische zin spreekt. Het eierdopje dat eigenlijk een schoteltje is met in het midden een holletje voor het ei: zo drupte het eigeel niet langs de dop op het tafelkleed, ook kon je het lepeltje op het schoteltje leggen. De deksels van schalen en potten, die bij het omgekeerd op tafel neerleggen niet wegrolden en geen vlekken maakten. De theepotten met hun goed hanteerbare oor, het deksel dat er stevig op zat en de tuit die niet drupte. En werkelijk alles was stapelbaar, waardoor een servies in de kast zo weinig mogelijk ruimte innam.

Het was allemaal te danken aan één ontwerper, Willem Hendrik de Vries. Hij begon als parttime ontwerper en adviseur en werd al snel als hoofd vormgeving opgenomen in de directie van de fabriek. Zijn opvattingen over vorm en functie zijn zichtbaar in de ontwerpen, in het bedrijfsblad Wij Bouwen verwoordde hij ze in 1951 zo: „Nu kunnen wij dan ook reeds spreken van een bepaalde ‘stijl’ bij het industriële product en deze stijl noemt men functionele schoonheid. Het woord zegt het ten volle: een schoonheid die de functie dient.”

Het oude magazijn aan de Baandervesting.

De Vries verliet Fris in 1962, verbolgen omdat na enige mindere verkoopsuccessen werd nagedacht over een nieuwe, modernere vormgeving. Die andere vormgeving heeft de tijd minder goed doorstaan: de ontwerpen zijn plomper en zwaarder, in aardse kleuren als groen en bruin. Zelf voorzag De Vries de mogelijke problemen al vroeg. In 1955 schreef hij: „Het publiek is kieskeurig geworden en over de hele wereld heeft zich een felle strijd ontwikkeld om de voorrang onder de Aardewerk- en Porceleinfabrieken. Die strijd wordt met alle middelen gevoerd en wie niet mee kan, wordt onder de voet gelopen. Zo is nu de situatie.” De onenigheid werd later bijgelegd, in 1967 ontwierp De Vries op freelancebasis nog het servies Cordella voor Fris. Hij overleed in 1969, het jaar waarin de fabriek de deuren sloot.