Kiezers zijn uit op conflict, maar middenpartijen vlakken juist af

Nationaal Kiezersonderzoek Kiezers, zo blijkt uit een groot onderzoek, raken steeds meer verdeeld en willen echt wat te kiezen hebben. Maar de verkiezingscampagne beantwoordde niet aan die behoefte. Alles ging om het leiderschap van Rutte.

Bekladde posters van politieke partijen in Veendam tijdens de verkiezingscampagne van 2021.
Bekladde posters van politieke partijen in Veendam tijdens de verkiezingscampagne van 2021. Foto Kees van de Veen

De Tweede Kamerverkiezingen van maart dit jaar waren, als je puur naar de uitslag kijkt, eigenlijk opvallend gelijkmatig. De grootste partij, de VVD, bleef de grootste. De (demissionaire) coalitie van VVD, D66, CDA en ChristenUnie behield haar meerderheid in de Tweede Kamer en onderhandelt nu over voortzetting van de samenwerking. Grote winnaars of verliezers waren er niet. Coronacrisis? Toeslagenaffaire? Het leek er nauwelijks toe te doen. Dit waren, getalsmatig, de saaiste verkiezingen sinds 1989.

Maar onderhuids gebeurde er van alles bij kiezers. Wat precies, is onderzocht door een groep wetenschappers in het Nationaal Kiezersonderzoek, dat vrijdag verschijnt. Voor dit project, dat sinds 1971 bestaat, zijn ruim 4.500 Nederlanders ondervraagd over hun kijk op politiek en hun stemgedrag. Het is het meest complete overzicht van sentimenten onder kiezers.

Uit dit onderzoek blijkt dat kiezers sterker gepolariseerd raken, met name als het om klimaatbeleid gaat. De afkeer van politiek is weer terug op het niveau van begin 2020, na een korte periode van groot vertrouwen aan het begin van de coronacrisis.

Het parlement is de afgelopen decennia onherkenbaar veranderd. Electoraal is Nederland versnipperd geraakt. Dat proces is doorgegaan. Er zijn nog maar vier partijen in de Tweede Kamer die meer dan tien zetels hebben (VVD, D66, PVV en CDA), en er werden maar liefst zeventien partijen in de Kamer gekozen. Maar ook op een onzichtbaar niveau is het politieke landschap drastisch hertekend.

Vier inzichten uit het kiezersonderzoek:

Er zijn nu drie ideologische blokken

Traditioneel bestaat de Tweede Kamer grofweg uit een centrumlinks en een rechts blok, met enkele partijen die daar niet meteen in passen. Het rechterblok is inmiddels gescheurd in een centrum-rechts (VVD en CDA, samen 49 zetels) en een radicaal-rechts blok (PVV en FVD, 25 zetels). De onderzoekers stelden kiezers de vraag op welke partij ze nog meer overwogen te stemmen, wat hun ‘keuzeset’ was. Daaruit bleek dat tussen die twee blokken vrijwel geen overlap bestaat: VVD-kiezers zijn vrijwel niet geïnteresseerd in een overstap naar bijvoorbeeld de PVV, of andersom. Het is dan ook de vraag of het zin heeft voor de VVD om, bijvoorbeeld op migratie, een radicaler rechts geluid te laten horen. Kiezers twijfelen meestal alleen maar tussen partijen binnen het blok waar ze zich thuisvoelen. Opvallend is dat het linkerblok van SP, PvdA, GroenLinks en Partij voor de Dieren, nu goed voor 32 zetels, door de jaren heen zwakker wordt, terwijl de kiezer volgens de onderzoekers ideologisch niet per se rechtser is gaan denken. Kleine partijen en partijen met een onduidelijk links-rechts-profiel zijn hierbuiten gelaten.

Deze blokvorming heeft twee gevolgen. Ten eerste is het niet meer mogelijk een coalitie te vormen die grotendeels uit één blok bestaat. Blokken moeten dus verder kijken. Dat vergroot de strategische positie van de partijen die tussen de blokken in staan, zegt hoofdonderzoeker en hoogleraar politicologie Tom van der Meer (Universiteit van Amsterdam). Zo kunnen D66, tussen links en centrum-rechts, en JA21, tussen centrum-rechts en radicaal-rechts, de komende jaren een sleutelpositie krijgen bij alle coalitieonderhandelingen. Maar ze zijn ook kwetsbaar, omdat ze aan twee kanten kiezers kunnen verliezen.

Ook opvallend: er is enige overlap tussen partijen aan de linker- en rechterflanken. Zo zijn FVD- en Denk-kiezers, twee partijen die elkaar in de Tweede Kamer fel bestrijden, bovengemiddeld vaak in de andere partij geïnteresseerd. Dat kan met twee dingen te maken hebben: het hoefijzermodel, het idee dat partijen aan de radicale flanken elkaar raken in afwijzing van het politieke midden. Maar het kan ook door het afwijkende coronastandpunt van FVD komen, dat aantrekkelijk voor Denk-kiezers kan zijn.

De afkeer van de politiek groeit

Het begin van de coronacrisis leidde tot een ongekende steun voor het kabinetsbeleid, en een historisch vertrouwen in politiek. Maar langzaam is dat sentiment verdwenen. Het vertrouwen in politiek daalt, en is ongeveer terug op het niveau van vóór de coronacrisis. De moeizame formatie en de discussie over de bestuurscultuur, ingegeven door de Toeslagenaffaire en de ‘notitie-Omtzigt’, hebben daaraan bijgedragen, schrijven onderzoekers Paul Dekker (Tilburg University) en Josje den Ridder (Sociaal en Cultureel Planbureau). Nog steeds is ruim twee derde van de bevolking tevreden over het functioneren van de democratie. Maar het vertrouwen in de regering (47 procent), de Tweede Kamer (50 procent) en politieke partijen (34 procent) ligt als vanouds lager. Het wantrouwen blijkt zeer groot onder lager opgeleiden en mensen met een niet-westerse migratieachtergrond. Dit hangt sterk samen met twee dingen: mensen met weinig tot geen vertrouwen in politiek zijn zeer negatief over globalisering, en bijzonder pessimistisch over hun eigen leven. „Afkeer van de politiek hangt samen met afkeer van de wereld”, schrijven de onderzoekers. De steun voor het coronabeleid van het kabinet (bijna 39 procent) was rond de verkiezingen hoger dan het percentage kiezers dat ontevreden is (ruim 32 procent). Het valt de onderzoekers overigens op dat Nederlanders met een migratieachtergrond, die zich minder vaak laten vaccineren, juist een stuk banger dan gemiddeld zijn om besmet te raken. Dit is een direct gevolg, zeggen ze, van het lage vertrouwen in de overheid dat in deze groepen leeft.

Nederland polariseert, vooral over klimaat

Kiezers zijn het steeds meer, en steeds feller oneens. De onderzoekers Eelco Harteveld en Roderik Dekker (Universiteit van Amsterdam) schrijven dat er „reden tot zorg” is over de toegenomen tegenstellingen in de samenleving. Polarisatie, schrijven ze, komt en gaat. In de jaren negentig, de Paarse jaren, waren de politieke en maatschappelijke tegenstellingen relatief klein. Het Fortuyn-tijdperk leidde tot grote spanningen, die daarna weer afnamen. In de afgelopen tien jaar is duidelijk weer sprake van een toename. Dat proces zette zich dit jaar door. Dat komt, schrijven ze, omdat polarisatie nu op drie niveaus gebeurt. Mensen zijn het niet alleen oneens over standpunten. Ze zijn veel negatiever gaan denken over hun politieke tegenstanders. Dat afwijzen van de tegenstander, dat affectieve polarisatie wordt genoemd, komt vooral voor bij kiezers van GroenLinks, BIJ1 en FVD. VVD- en CDA-kiezers hebben juist de hoogste ‘gevoelsthermometer’, zij denken het positiefst over mensen met wie ze het oneens zijn. Er is ook een derde vorm van verwijdering. De perceptie van de werkelijkheid is uiteen gaan lopen. Onder meer omdat burgers steeds meer uiteenlopende bronnen van informatie zijn gaan gebruiken. Dat komt weer omdat bijvoorbeeld FVD- en PVV-kiezers weinig vertrouwen in wetenschap en media hebben.

Opvallend zichtbaar is dit als het gaat om klimaatbeleid, volgens het onderzoek het meest polariserende onderwerp. De onderzoekers schrijven: „Voorstanders van klimaatbeleid zien in klimaatverandering een existentiële bedreiging. Tegenstanders zien een aantasting van hun manier van leven.” Dat betekent meteen óók dat zij zeer van mening verschillen over klimaatverandering. Slechts een derde van de FVD-kiezers gelooft in de rol van de mens in klimaatverandering, tegen 90 procent van de GroenLinks-kiezers.

Middenpartijen vervlakken

Hoewel het electoraat uit elkaar drijft, was daar in de campagne weinig van te merken. De middenpartijen (van GroenLinks tot aan de VVD) benadrukten niet of nauwelijks hun inhoudelijke verschillen, zegt Tom van der Meer. Zo speelden de grote kwesties die kiezers bezighouden – corona, klimaat, wonen, toeslagen – nauwelijks een rol. „Veel van die onderwerpen zijn in debatten wel besproken, maar er was geen conflict over. Juist politieke tegenstellingen geven de kiezer richting.” Zo kon het gebeuren dat de Toeslagenaffaire en de betrouwbaarheid van de overheid bij een relatief beperkte groep kiezers sterk leefde, maar nooit hét thema van de verkiezingen werd.

Lees ook: Waarom het Toeslagendrama geen thema werd in de campagne

Demissionair premier en VVD-lijsttrekker Mark Rutte kreeg er alleen tijdens een tv-debat op RTL vragen over, van een slachtoffer. Van der Meer: „Veel partijen hadden zelf ook boter op hun hoofd in deze affaire, zoals de PvdA. Ze hadden weinig zin dit onderwerp veel aandacht te geven.”

Mark Rutte neutraliseerde de campagne door van leiderschap het thema te maken, constateert Van der Meer. „Dat gaf hem, premier sinds 2010, een voorsprong. Hij kon bij alle inhoudelijke kritiek zeggen: ‘Ik ben het met u eens, maar ik krijg dingen gedaan’.” Andere partijen gingen klakkeloos mee met Rutte. Sigrid Kaag (D66) voerde campagne met de slogan ‘Tijd voor nieuw leiderschap.’ Andere lijsttrekkers, zoals Wopke Hoekstra (CDA), presenteerden zich als kandidaat-premier. Zo werden alle tegenstellingen kaltgestellt, zegt Van der Meer.

Een consequentie hiervan is dat kiezers elders op zoek moesten naar afwijkende ideeën, en dat zo de partijen aan de flanken aantrekkelijker werden. De onderzoekers Joop van Holsteyn en Galen Irwin (Universiteit Leiden) schrijven in het Kiezersonderzoek dat de campagne een belangrijk democratisch doel, het informeren van kiezers over de verschillen, onvoldoende heeft bereikt. Kiezers deden in overgrote meerderheid hun best: ze vulden de Stemwijzer in, keken de tv-debatten en volgden de peilingen. Maar toch kon maar iets meer dan de helft van de kiezers (57 procent) grote verschillen in standpunten tussen de partijen ontdekken. Vier jaar geleden was dat nog 70 procent. De onderzoekers noemen de campagnetijd daarom „enigszins ineffectief”. Kiezers hebben steeds meer moeite partijen in te delen als ‘links’ of ‘rechts’.

Dit raakt de grote paradox van de verkiezingen van 2021, die als een rode draad door het Kiezersonderzoek loopt. Tegelijkertijd polariseren de kiezers ook en denken steeds negatiever over andersdenkenden. Ze zijn, kortom, meer uit op conflict. Dit terwijl de middenpartijen juist vervlakken, in ieder geval in campagnetijd, en verschillen wegpoetsen. Omdat kiezers weinig verschil zien, lopen ze sneller over naar nieuwe of flankpartijen, of stemmen ze liever op personen. Tom van der Meer: „De middenpartijen hebben het nagelaten een groter verhaal te vertellen, terwijl de kiezer daar wel behoefte aan had.”

Lees ook: De crisis van het politieke midden