Recensie

Recensie Boeken

Het waren niet de drugs die Colombia vormden, maar de politiek

Zuid-Amerika In een geschiedenis van een prominente familie schetst Robert-Jan Friele hoe hogere politiek en ingewikkelde (familie)relaties de gewelddadige moderne geschiedenis van Colombia bepalen.

De Colombiaanse presidentskandidaat Carlos Pizarro, van de M-19 guerrillabeweging, levert zijn wapen in, Bogota maart 1990
De Colombiaanse presidentskandidaat Carlos Pizarro, van de M-19 guerrillabeweging, levert zijn wapen in, Bogota maart 1990 Foto Reuters/Zoraida Diaz

Wie denkt dat een Nederlander in het buitenland veel clichés over zijn land moet aanhoren, moet eens met een Colombiaan gaan praten. Inwoners van het Zuid-Amerikaanse land krijgen op reis geen opmerkingen over de Wallen, coffeeshops, tulpen (of Cruijff) maar worden lastiggevallen over de FARC, cocaïne, Pablo Escobar (of Andrés Escobar, de in 1994 vermoorde voetballer). De hardnekkigheid van deze clichés is de afgelopen jaren nieuw leven ingeblazen door een Netflix-serie als Narcos. Dit terwijl Colombia’s moderne geschiedenis – als tv-serie – eerder House of Cards is.

Lees ook: Drugsbaron Pablo Escobar lokt toeristen naar Colombia

Alleen al daarom is het boek De Pizarro’s: Eén familie, drie generaties en honderd jaar strijd in Colombia een verademing. In zijn een ruim vijfhonderd pagina’s tellende oral history van dit bekende geslacht van officieren, politici, diplomaten én linkse guerrillero’s schetst auteur Robert-Jan Friele hoe niet platte drugshandel, maar vooral hogere politiek en ingewikkelde (familie)relaties de drijvende krachten zijn in Colombia’s gewelddadige recente geschiedenis.

Friele, die jarenlang in het land woonde en er werkte als journalist, won het vertrouwen van de Pizarro’s om hun geschiedenis op te mogen tekenen. Hij interviewde nog levende telgen, tientallen andere intimi en kennissen en kreeg toegang tot privé-archieven. Het resultaat is een minutieuze reconstructie waarin een dozijn Pizarro’s voorbijkomt, opgetekend in drie delen (1915-1970, 1970-1995 en 1995-2019), waarvan het middendeel – terecht – de meeste pagina’s beslaat.

Chaos en geweld

Dit zijn de jaren waarin Colombia, niet voor het eerst, wegzakt in chaos en geweld. Zo somt Friele staccato op: ‘Er was geweld van de georganiseerde misdaad tegen politici en journalisten; geweld van de georganiseerde misdaad tegen burgers; geweld van de guerrilla tegen de staat; geweld van de staat tijdens het bewaken van de openbare orde; geweld van de staat tegen protestbewegingen; geweld van de staat tegen etnische minderheden; geweld van de niet-georganiseerde misdaad (gewone dieven, smokkelaars, moordenaars dus); geweld van burgers die zich hadden georganiseerd om het recht in eigen hand te nemen.’

Al dit geweld trekt diepe sporen in de levens van de vier broers Juan Antonio, Carlos, Hernando, Eduardo en hun zus Nina, van wie er twee een gewelddadige dood sterven. De een als guerrillacommandant, de ander als presidentskandidaat. Dit sleuteldeel schetst knap de oorspronkelijke idealen en de latere ontluistering, die Friele in de proloog al ultrakort samenvatte: ‘Verandering werd revolutie, revolutie werd oorlog, oorlog werd vuile oorlog.’

Hartelijke bevolking

Het derde en laatste deel is wat minder meeslepend. Deze periode draait ook minder om ‘strijd’ en meer om voortslepende vredesbesprekingen, de weerbarstige ontwapening en demobilisatie van paramilitairen en guerrillero’s, of het vredesverdrag met de FARC, dat vijf jaar na zijn ratificatie op veel punten nog niet is ingelost en dat de huidige rechtse regering-Duque actief dreigt te laten ontrafelen.

Met de uit de hogere middenklasse afkomstige Pizarro’s, erkent Friele in de epiloog, heeft hij een familie uitgezocht die weliswaar zeer interessant is, maar niet heel exemplarisch voor de rest van het land. Hoe nauwgezet hij hun levens ook optekent, Colombia zelf blijft een enigszins eendimensionaal decor. Sfeerbeschrijvingen gaan vaak over de natuurpracht, koloniale architectuur of het weer – minder over de samenleving en hoe die is getekend door alle geweld. Friele werpt hierover wel een interessante vraag op. Hoe kan het dat een maatschappij die zo gewelddadig en politiek verdeeld is, hem toch zo ‘allerhartelijkst’ ontving? In dat andere zeer gepolariseerde land op het westelijk halfrond zie je dit verschijnsel ook. Maar waar de Amerikaanse wellevendheid vaak oppervlakkig is, lijkt de Colombiaanse oprechter te zijn. Misschien omdat men er wil bewijzen dat het land zoveel meer is dan alle clichés?

Een Colombia met iets meer reliëf had het verhaal van De Pizarro’s universeler kunnen maken, zeker voor de Nederlandse lezer. Voor een Colombiaans publiek is dat niet nodig: dat verdient juist snel een vertaling naar het Spaans.