Paul Bekkering (1930-2021) was een betrokken huisarts met een kampverleden

De laatste bladzijde In deze rubriek elk weekeinde een necrologie van iemand die recent is overleden. Paul Bekkering richtte mede de eerste abortuskliniek in Nederland op.

Paul Bekkering trouwde in 1957 met Marye Merens.
Paul Bekkering trouwde in 1957 met Marye Merens. Foto privécollectie

Twee jongetjes zitten met hun moeder in een paardenkoetsje. Arnold van vier voorin, naast de koetsier, Paul van bijna zes met moeder achterin. Het is zaterdag 6 juni 1936 in Pematang Siantar, Noord-Sumatra, en ze zijn van het station op weg naar huis. Dan: een klap en een wilde beweging van het tweewielige rijtuig. Een tegenligger, zo’n zelfde koetsje met een op hol geslagen paard, heeft een botsing veroorzaakt. De broertjes zijn ongedeerd maar moeder heeft een dakspant tegen haar hoofd gekregen, zo meldt De Sumatra Post de maandag erop. Haar linkerslaap is verbrijzeld. Met haar laatste krachten stapt ze uit, loopt naar de kant van de weg en bezwijkt.

Het duurt vele jaren voor Paul Bekkering weer een enigszins normaal leven heeft. De dood van zijn moeder, die biologie had gestudeerd en op Sumatra als lerares werkte, ontwricht het gezin. Vader, een waterstaatkundig ingenieur, is niet in staat om alleen voor zijn drie zoontjes te zorgen. Hij hertrouwt een paar jaar later, maar voor de rust in het leven van Paul en zijn broers kan terugkeren, breekt de Tweede Wereldoorlog uit. Japan bezet Nederlands-Indië en deporteert de Nederlanders naar interneringskampen.

Paul verblijft van zijn twaalfde tot zijn vijftiende in verschillende kampen op Sumatra. Eerst nog samen met zijn stiefmoeder en halfzusje, later alleen met zijn broers. Hij krijgt dysenterie en malaria, lijdt honger, is – vooral in het laatste kamp, Si Rengo Rengo – getuige van afranselingen en vernederingen en wordt steeds vaker geconfronteerd met stervende mensen. In zijn (ongepubliceerde) memoires vertelt hij over een zeventienjarige kampgenoot: „Ardi was totaal verslaafd aan roken en ruilde zijn voedsel in tegen tabak. Hij was een wandelend skelet, had een griezelig groot hoofd, holle ogen, die je met een zekere schittering aanzagen.”

Alle gezinsleden overleefden, maar het werd nooit meer zoals vroeger. Paul Bekkering, die huisarts werd in Rheden en in 1971 een van de oprichters was van de eerste abortuskliniek in Nederland, de Mildredkliniek in Arnhem, bleef zich altijd enigszins ontworteld voelen. Zoon Titus: „Hij noemde zich ‘slecht gegrond in het leven’. Dat uitte zich onder meer in een wat pessimistische kijk op de wereld, en een zekere behoedzaamheid in het aangaan van verbintenissen met mensen. Dat gold overigens niet voor mij en mijn drie broers. Hij noemde ons zijn ‘basis in het leven’.”

Conny Schreuders-Bais, vriendin, collega-arts en mede-oprichter van de Mildredkliniek, vertelt dat zijn kampervaringen een belangrijke drijfveer waren om zich in te zetten voor goede abortuszorg. „Hij heeft weleens gezegd dat hij door die jaren in de kampen existentiële nood bij mensen had leren herkennen. Bij vrouwen die ongewenst zwanger zijn, zag hij eenzelfde wanhoop, pijn en angst. En in die kampen had hij óók gezien dat dokters soms de enigen waren die nog wat hulp of troost konden bieden.”

Dus toen rond 1970 dankzij de vrouwenbeweging steeds duidelijker werd hoeveel vrouwen leden onder een ongewenste zwangerschap, en hoeveel er door onkundig handelen overleden aan een illegale abortus, stond voor Bekkering vast dat hij hen moest helpen. Een dorpsarts uit Gelderland, opgegroeid in een koloniaal milieu; bepaald geen typische avant-gardist, ook al droeg hij onder zijn driedelige pakken geitenwollen sokken en schoenen met spekzolen, en was hij al in 1969 gepromoveerd op een onderzoek naar anti-conceptie: De patiënt, de ‘pil’ en de huisarts.

Paul Bekkering verbleef van zijn twaalfde tot zijn vijftiende in verschillende interneringskampen op Sumatra. Foto privécollectie

Als huisarts was Paul Bekkering, zegt Schreuders-Bais, „zo’n typische, klassieke huisarts die enorm betrokken was bij zijn patiënten en 24 uur per dag voor ze klaarstond”. Titus Bekkering denkt dat de huisartspraktijk als ‘anker’ fungeerde voor zijn vader, met zijn onrustige natuur. „Het werk kwam vanzelf op hem af, dat maakte het makkelijk op een bepaalde manier. En het gaf hem een bevredigende rol in het dorp.” Maar ‘redding’ kwam toch vooral van zijn vrouw, Marye Merens (1931-2019). Ze hadden elkaar als studenten in Leiden ontmoet. „Mijn moeder was ook opgegroeid in Indië, ze had net als mijn vader een kampachtergrond. Ze wilden pertinent geen slachtoffer zijn, en trokken elkaar uit de put als dat nodig was. Mijn moeder voelde precies aan wanneer ze mijn vader, die soms wat escapistische neigingen had, de ruimte moest geven.” Conny Schreuders-Bais: „Ze waren een twee-eenheid, onafscheidelijk. Paul zei weleens: ‘Ik ben monomaan monogaam’.”

Samen met Marye, die als psychotherapeute mensen behandelde die in hun jeugd in Japanse interneringskampen hadden gezeten, schreef hij voor het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde in 1980 het allereerste wetenschappelijke artikel over de psychische nood van deze ‘kampkinderen’: ‘De Japanse kampen; nog geen verleden tijd’. Er kwam een hechte vriendschap uit voort met Hans Keilson (1909-2011), de Joodse schrijver, dichter en psychiater die zich na de Tweede Wereldoorlog had ingezet voor getraumatiseerde Joodse weeskinderen.

Een halve eeuw na het ongeluk waarbij zijn moeder omkwam, is Paul Bekkering met zijn oudere broer Jan teruggegaan naar de plek waar het gebeurde. In zijn memoires noemt hij het „een soort pelgrimage”. Twee al wat oudere mannen, doodstil naast elkaar langs de kant van de weg, rechtop, de armen strak langs hun lichaam, terwijl het verkeer langs hen heen raasde. „We waren even terug op de zesde van de zesde 1936.”