Recensie

Recensie Beeldende kunst

Meesterlijk getekende psychiatrische patiënten: verdrietig, vertwijfeld of achterdochtig

Tentoonstelling Kunstenaar Jan van Herwijnen keek net zo lang naar psychiatrische patiënten tot hij weer de mens achter de diagnose zag.

Zaal van Jan van Herwijnen bij Museum MORE.
Zaal van Jan van Herwijnen bij Museum MORE. Foto Eva Broekema

Toen Jan van Herwijnen (1889-1965) in 1918 begon met het portretteren van psychiatrische patiënten, deed hij dat niet als buitenstaander. Hij was onlangs zelf „weer eens uit mekaar gevlogen”, en opgenomen geweest in een psychiatrisch neurologische kliniek. Sinds hij op zijn elfde het huis uit was gegaan – vader alcoholist, moeder veel afwezig – had hij als zwervend straatjochie te veel meegemaakt. Tijdens zo’n opname in „de kermis van de hel” merkte hij dat tekenen hielp. Toen hij weer buiten stond, benaderde hij het Willem Arntsz Huis in Utrecht, een psychiatrisch geneeskundig instituut, met de vraag of hij daar de patiënten mocht gaan portretteren. Dat mocht. Het leverde 32 bijna levensgrote tekeningen op, die nu allemaal te zien zijn in Museum More. En wat blijkt: ze zijn meesterlijk getekend. Van Herwijnen had geen kunstopleiding genoten, hij had alleen wat lagere school gehad, maar man wat kon hij tekenen.

Neem alleen al de handen. Bijna alle patiënten zitten in dezelfde pose op dezelfde stoel, en doen dat gelaten, verdrietig, vertwijfeld, achterdochtig – en dat is aan slechts de handen al af te lezen. De gezichten vertellen nog eindeloos veel meer. De sporen van hun leed zijn te zien in de lege of juist vurige blikken, de donkere wallen onder de ogen, de manier waarop de lijven wegzakken in de kleding, weggeteerd, langzaam onzichtbaar wordend voor de buitenwereld waar ze van afgesloten zijn, maar niet onzichtbaar voor hem, die net zo lang keek tot hij weer de mens achter de diagnose zag.

Jan van Herwijnen, Man met witte sjaal, psychiatrisch patiënt, 1919, langdurige bruikleen van de Jan van Herwijnen Stichting aan Museum Arnhem

De een is opgejaagd, de ander murw, weer een ander zit gevangen in een jeugd die haar ontglipt is, ingehaald door de jaren zonder dat ze volwassenheid heeft kunnen ontwikkelen. Dat komt door iemands geestesgesteldheid, of door een systeem dat mensen opsluit en weinig helpt.

Mannen en vrouwen gescheiden

In Museum More hangen de portretten van de mannen aan de ene kant van de zaal, de vrouwen aan de andere, precies zoals ze in de inrichting ook gescheiden werden op sekse en sociale klasse – je moest er toch niet aan denken dat ze bijvoorbeeld eens lol zouden hebben met elkaar. Maar Van Herwijnen vereenzelvigde zich met de patiënten en benaderde ze met aandacht en respect. „Je moet niet met ze praten, maar wel een zooitje liefde vanuit je donder op ze sodemieteren”, zei hij, en dat zie je.

Dat zagen ze ook in de kunstkringen van die tijd, waar het sociaalmaatschappelijk bewustzijn groot was. Er was kritiek op de psychiatrisch zorg en Van Herwijnens tekeningen van „deerniswaardige en vaak weerzinwekkende mensch-wrakken” werden geïnterpreteerd als zeer maatschappijkritisch – dat is nog maar de vraag, maar wel betekende het een succesvol begin van een kunstcarrière waarin hij zieken, armen en verschoppelingen bleef portretteren.

Jan van Herwijnen bij Museum MORE. Zaalbeeld. Foto Rachelle Stoffels

Dat zou hij in verf gaan doen, maar deze eerste reeks is in houtskool en grijstinten, die zo goed passen bij de grauwe levens van deze kleurrijke mensen. Eén jonge vrouw in zo’n kleurloze hobbezak heeft een tulp op haar schoot liggen. Ze was ongehuwd zwanger geweest en haar kind was haar afgenomen, het verdriet hoopte zich op in schaduwen onder de ogen. Met zijn grafische tekenstijl, geïnspireerd door collega-outsider Van Gogh, toont Van Herwijnen haar letterlijk getekend door het leven. Maar ook laat hij zien dat ze nog hoop en energie heeft. Ze zit erbij alsof ze elk moment kan gaan bewegen, al houdt ze die tulp onverminderd stevig tegen haar schoot. Want die pakken ze haar niet ook nog eens af.