Recensie

Recensie Theater

Jasper van der Veen is geen pleaser, maar wel gierend grappig

Cabaret In zijn eerste avondvullende voorstelling trekt Jasper van der Veen je met haarscherpe mimiek en spel moeiteloos nieuwe werelden in: van een ketaminetrip in een ziekenwagen tot een bootje op het Michiganmeer.

Jasper van der Veen in zijn avondvullende debuutshow: Het dreigt volslagen goed te komen. Foto Bob Bronshoff
Jasper van der Veen in zijn avondvullende debuutshow: Het dreigt volslagen goed te komen.

Foto Bob Bronshoff

Jasper van der Veen is een pleaser die een rebel wil zijn. Van die worsteling zijn we getuige in zijn eerste avondvullende programma Het dreigt volslagen goed te komen.

De Groningse Van der Veen, in 2019 de overtuigende winnaar van het Leids Cabaret Festival, presenteert zichzelf als een zachtaardig vrijeschoolkind, een ontwapenende twijfelaar met een pleasende moeder en een emotioneel afwezige vader. Zo’n type dat, ondanks zijn enorme medische angst, tóch maar overweegt mee te kijken met zijn eigen knieoperatie, gewoon omdat hij geen nee kan zeggen tegen de over-enthousiaste chirurg.

Dat pleasegedrag wordt een probleem wanneer vrienden plotseling „de fuik inzwemmen” van levens met huizen en kinderen. Een eerste teken daarvoor komt van een bevriend stel, dat tijdens een wiebelig boottochtje op het Michiganmeer uitgebreid de toekomstplannen uit de doeken doet – het is een doorlopende scène die Van der Veen in zijn voorstelling zo’n vier, vijf keer laat terugkeren, en die telkens wordt aangekondigd door zijn deinende armen.

Van der Veens paniek loopt op als zijn vriendin ook zegt „er wel iemand bij te willen” – een wens die niet over groepsseks blijkt te gaan. Plotseling voelt hij weerstand: in tweejarigen ziet Van der Veen immers niet de engelachtige peuters die zijn vrienden omschrijven, maar slechts nijdige, met wortel besmeurde gedrochten.

Zo’n gedrocht weet Van der Veen grandioos te verbeelden. Sowieso toont Van der Veen zich een volwassen podiumpersoonlijkheid: hij is ontwapenend en charismatisch en weet zijn hoge energie goed vast te houden. Met zijn haarscherpe mimiek en spel trekt hij moeiteloos nieuwe werelden in: zo zijn we in een ziekenwagen waar hij een ketaminetrip beleeft en denkt dat hij een sultan is, en een andere keer wanen we ons in dat bootje op het Michiganmeer, waarbij Van der Veen met zijn vingers in een drinkbekertje het watergeklots nabootst. De theatrale vondsten zijn fascinerend, origineel en vaak gierend grappig. Ook Van der Veens improvisaties blijken tijdens publieksinteracties te staan als een huis.

Thematisch rammelt het nog wat. Zo zegt ‘pleaser’ Van der Veen handhavers te zien als invaljuffen, die je net zo lang moet treiteren „tot ze huilend naar huis gaan”. Ook beweert hij geen fietsboetes te accepteren: tegen een agent zegt hij net zolang „nee” tot de diender moedeloos afdruipt. Het zijn niet de enige voorbeelden die weinig met pleasegedrag te maken hebben. Ze laten zien dat Van der Veen zijn rebelse kant allang ontwikkeld heeft. De vraag is of hij zichzelf daarvan bewust is.

Onder het mom van rebellie hecht Van der Veen uiteindelijk ook zijn sterke verhaallijn over het Michiganmeer niet af. Dat is zonde.