Opinie

De mogelijkheid een ander te zijn en iedereen te zijn

Maxim Februari

Het grootste wonder van de moderne tijd is de boekenkast op straat, de minibieb, waaruit je boeken domweg gratis mee mag nemen. Je zou het liefst aanbellen om de mensen te bedanken, maar die geven hun boeken zo royaal weg omdat ze ervanaf willen en bedanken is niet de bedoeling. Ze zien je aankomen.

Ver van huis vis ik uit zo’n kast een boek van John Steinbeck, de onderschatte Nobelprijswinnaar. De felle gloed uit 1950 is een rare mix van toneelstuk en novelle en volgens toenmalige critici grandioos mislukt. Ergens lees ik dat Steinbeck de mist in is gegaan door zijn vrouwelijke personage Mordeen te noemen. Want, zeg nou zelf, wie heet er in vredesnaam Mordeen?

Inderdaad, dat is zo, en het is ook een probleem dat Mordeen te aardig is, te zorgzaam; je kunt als schrijver je personage en jezelf niet serieus nemen en haar dan zo lief maken. Want, ga maar na, wie is er in hemelsnaam ooit lief? Verder is het boek helemaal te bloemrijk. Te soap-opera-achtig. Te hard geprobeerd. De personages zijn van bordkarton. Hun emoties zijn niet authentiek.

„We werden geschopt als honden”, zei Steinbeck later over de toneelkritieken. Recensenten deden hun best zo afwijzend mogelijk te zijn: „Van een beslist nee via een minachtend nee naar een hysterisch en emotioneel nee, nee, nee.” En toch. Sinds ik het boek ooit als puber las, is het me bijgebleven vanwege een experiment met de vorm. Een beetje vreemd, en onvolmaakt, zuchten de critici. Jawel, maar zo vreemd en onvolmaakt dat het leuk wordt.

Joe Saul en zijn veel jongere vrouw Mordeen werken in de eerste acte in het circus. Joe Saul komt uit een eeuwenoude circusfamilie, de acrobatiek zit in zijn bloed, hij is een telg van de enige twee hechte families ter wereld, de clowns en de acrobaten.

In de tweede acte blijken Joe Saul en Mordeen zonder verdere uitleg opeens boeren te zijn en dan stamt Joe Saul dus uit een eeuwenoud boerengeslacht. „Er hebben zo velen van ons op dit land gewoond dat wij het land zelf zijn.” Het voorjaarsgras groeit uit hun poriën. In de derde acte wonen ze op een vrachtboot.

Het werkt vervreemdend. Omdat ze ervan schrikken trekken veel lezers online een ster en een bal van hun literaire oordeel af. Maar onderzoekers leggen uit dat het experiment universaliserend is bedoeld en dat Steinbeck het boek aanvankelijk Everyman – Elckerlyck – had willen noemen. Het boek is een allegorie. Een parabel met een boodschap.

In de eerste acte zegt Joe Saul al dat hem iets is overkomen „dat iedereen overal en altijd kan overkomen – een boer of een zeeman of een onbekende”. En dus is hij vervolgens een boer en een zeeman; en waarom ook niet? Er ligt een roman van Virginia Woolf op mijn nachtkastje waarin de kleine Rose Pargiter ’s avonds stiekem de straat op sluipt. „Ik ben Pargiter van Pargiters Cavalerie”, schreeuwt ze inwendig naar een belegerd garnizoen. „Hier zijn de hulptroepen!”

Dit is waarom ik het boek uit het kastje haal: omdat het je de mogelijkheid aanreikt een ander te zijn en iedereen te zijn. Voordat ik deed alsof ik een publiek intellectueel was, was ik nachtportier in een hotel en deed ik alsof ik Jenny uit de Dreigroschenoper was, die deed alsof ze een zeerover was. „Und Sie sehen meine Lumpen und dies lumpige Hotel”, mompelde ik zodra er gasten arriveerden. En u ziet mijn oude vodden en dit voddige hotel en u hebt geen idee met wie u praat. „Und Sie wissen nicht, mit wem Sie reden.”

De kenners vinden Steinbecks universele les een boodschap van niks. „Een ‘Brotherhood of Man-doctrine’”, schrijft Steinbeck-kenner Warren French, en dat is niet wat je verwacht van een Nobelprijswinnende schrijver. Dat de lieve Mordeen een mes trekt en dat terloops een moord wordt gepleegd op het vrachtschip, mag niet baten. De personages zijn van bordkarton en de moraal is zouteloos.

Die moraal wordt expliciet in een toespraak van Joe Saul over de menselijke soort. „De enige soort die het kwaad kent en het toepast.” Op de achtergrond zie ik de kleine Rose Pargiter over straat hollen, een denkbeeldig pistool in haar hand. „De vijand! Pang!”, schreeuwt ze inwendig. „De enige soort die wreedheid kent en ondraaglijk wreed is.” Op de achtergrond zie ik zeerover Jenny grijnzen als het hoofd van haar vijanden valt. „Und wenn dann der Kopf fällt, sag ich: Hoppla!”

Maar ook een dierbare soort, die dapper schoonheid schept. „Met al onze angsten en onze fouten, is er ergens in ons een licht. Dat is het belangrijkste van alles. Er is een licht.” Bizarre tekst, zuchten de critici, en dat is ook zo. Maar toch, zeventig jaar na publicatie haal ik deze vreemde schepping van Steinbeck ergens uit een kast en ik ben een kort moment een ander, iedereen.

Maxim Februari is jurist en schrijver, www.maximfebruari.nl.