Opinie

Achter de rug

Ellen Deckwitz

In tijden waarin de krantenkoppen gedomineerd worden door avondrellen, besmettingscijfers en wanbeleid, zou je haast vergeten dat er achter het wereldnieuws privélevens schuilgaan waarin ook nog eens van alles gebeurt. Vorig jaar ontdekte een goede vriend bijvoorbeeld dat zijn echtgenoot een ander had. Meteen trommelde ik onze hele vriendenkring op. Agenda’s werden getrokken, afspraken ingepland, groepsapps aangemaakt. Niet alleen om hem te troosten, maar vooral om voor hem te koken. Verdriet kent talloze verschijningsvormen, van huilbuien tot vuurwerk smijten en, in het geval van deze vriend, stoppen met eten. Toen zijn vader een paar jaar geleden overleed, ging hij drie kledingmaten achteruit, en nu, met een echtscheiding in het verschiet, vreesden we het ergste.

Het grote probleem was echter dat hij nooit hulp aannam. Alleen al het aanbieden ervan ervoer hij als een grove belediging, dus waren we genoodzaakt om deze reddingsoperatie met een omweg aan te pakken.

Geheel toevallig stond er opeens elke avond iemand op de stoep die toevallig net in de buurt was en toevallig net boodschappen had gedaan en toevallig nog geen eetplannen had. En die na het diner ook nog even de was opvouwde, de post opende en wat puinruimde. Het was allemaal nogal een geregel, met roosters en Zoomoverleggen, en het onderling uitwisselen van vetmesttips (zoals een vlaflip met daarin twee verkruimelde proteïnerepen plus een scheut lijnzaadolie), maar het werkte. Tegen de tijd dat hij ons doorkreeg, was eten geen probleem meer en kon hij alweer bijna op eigen kracht lachen.

Dit weekend gaf hij een kleine borrel om ons te bedanken. „Jullie zijn zo zalig achterbaks”, zei hij tijdens de afwas. „Het was haast alsof er onzichtbare handen waren die mijn val afremden en daarnaast ook nog eens de wc schrobden en de koelkast vulden.”

„Ik ben blij dat je echt dement was van verdriet en ons geen strobreed in de weg legde”, neuriede ik.

„Weet je wat het mooiste was? Opeens was mijn wereld poreus. Door de muren heen kwam hulp. Mijn huis, waarin ik had verwacht een kluizenaar te worden, bleek geen bunker maar een schuilplaats. Ik heb me in tijden niet zo beschut gevoeld. Alles leek vanzelf te gaan.”

Ik zei maar even niet wat voor paniek er in onze hulpverlenersappgroep uitbrak wanneer er iemand ziek of verhinderd was. Tevreden borg hij het laatste bord op. En toen, opeens, heel stil: „Ik had nooit gedacht dat er achter je rug om ook góéde dingen konden gebeuren.”

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.