Hoe de veerkrachtige Jason strijdt voor een betere jeugdzorg

Zap De indringende documentaire Jason gaat over de traumatherapie die de 23-jarige Jason Bhugwandass volgt, maar ook over zijn missie: het hervormen van de gesloten jeugdzorg, die volgens hem amper valt te onderscheiden van een gevangenis.

Jason Bhugwandass in de documentaire Jason.
Jason Bhugwandass in de documentaire Jason. Beeld VPRO

Politie, groepsleiders, rechters – dat waren de mensen die Jason Bhugwandass hoog achtte. „Die zijn normaal, dacht ik. Dat zijn de veilige bakens van de maatschappij. Als die gewelddadig blijken, dan is dat toch wat anders dan dat je broer niet goed bij zijn hoofd is of zo.” Nu had Jason ook zo’n broer, een agressieve vader en twee buurmannen die hem jarenlang misbruikten. Inmiddels is Jason 23 en is het zijn missie om de gesloten jeugdzorg te veranderen. Nu ja, hij twittert: „Hopelijk blijft er genoeg geld over om de jeugdzorg te cremeren.”

Meer dan twee uur trok NPO2 zondag uit voor Jason en zijn verhaal: anderhalf uur voor de documentaire Jason (VPRO) die Maasja Ooms over hem maakte, plus voorgesprek en nagesprek. Dat was veel, zwaar en volkomen terecht.

Een groot deel van de film speelt zich af in de kamers van therapeuten, waar Jason intensieve traumatherapie volgt. Daar moet hij geholpen door flitslichten en gecompliceerde opdrachten (tel, fietsend op een hometrainer, terug vanaf duizend in stappen van dertien terwijl je afwisselend drie keer op tafel tapt met je linkerhand en vier keer met je rechterhand) de gebeurtenissen uit zijn verleden herbeleven. Hij verdwijnt soms minutenlang in zichzelf – het is of je zijn pijn kunt aanraken. Die beelden maken het alleen maar wonderbaarlijker dat deze jonge man zich het leven in heeft weten te trekken.

Jasons wantrouwen schemert door veel scènes. Wanneer de burgerlijke stand zijn transitie formaliseert, signaleert hij dat de ambtenaar zijn oude naam feilloos uitspreekt, maar zich verslikt in Jason Michael. Veelzeggend is ook zijn gesprek met de chirurg die de borstoperatie uitvoert die hem „helemaal plat” moet maken. Komt het voor dat mensen tijdens de operatie sterven? Bijna niet, stelt zij gerust, maar dat was zijn zorg niet: „Als ik doodga, maak je me dan nog wel af?”

Vieze vibes van Freud

Het is niet het wantrouwen van Jason dat je het meeste bijblijft en zelfs niet zijn littekens („Als ik niet mag snijden, dan is mijn lichaam van hun”, zei hij tegen zichzelf in de inrichting). Het is zijn veerkracht. Jason volgt niet alleen therapie, hij studeert ook psychologie. Hij ginnegapt over de studiestof met zijn vrienden: „Freud geeft wel vieze-oude-mannetjesvibes.” Hij lijdt aan de onder Amsterdamse jeugd alomtegenwoordige Almereminachting en hij laat zich recenseren door een lagereschoolvriend. „Weet je nog dat je ego heel groot was? Je bent nog even koppig, je dringt alleen minder aan.”

Het laatste kwartier van de documentaire zien we Jason als activist. Niet meer met een verhullend petje op, maar met een expressief sjaaltje om zijn hoofd. Hij laat zich interviewen bij Nieuwsuur, waar een empathische Jeroen Wollaars hem ervan overtuigt dat hij niet als slachtoffer neergezet zal worden. Hij debatteert met politici en spreekt studenten toe. Steeds vertelt hij hetzelfde verhaal: dat de gesloten jeugdzorg amper van een gevangenis te onderscheiden is, dat het toch niet de bedoeling kan zijn dat je als zestienjarige met suïcidale klachten 22 van de 24 uur wordt opgesloten in je kamer. Therapie van enige soort kreeg hij niet.

Na de documentaire sprak Nadia Moussaid met Jason en enkele (ervarings)deskundigen. Zijn geschiedenis werd in ontluisterend perspectief geplaatst. Er werd verteld hoe jongeren, die geen enkele regel hebben overtreden, met handboeien om in arrestantenbusjes worden vervoerd. De lichamelijke visitaties die de kinderen moeten ondergaan werden verbonden met de statistiek dat 85 procent van de meisjes in de instellingen eerder seksueel is misbruikt. Het was alleen maar méér ondersteuning voor de retorische vraag die Bhugwandass al in de film stelde: „Waarom houden we er niet morgen mee op?”