Opinie

Compensatie nodig voor gedupeerd ambassadepersoneel

Arbeidsrecht

Commentaar

Internationale stad van vrede en recht: dat is hoe Den Haag zich graag profileert. Dat lukt heel aardig: de stad herbergt meer dan tweehonderd internationale organisaties, van het Internationaal Gerechtshof tot Europol, en vrijwel alle buitenlandse ambassades en consulaten. Toch heeft al het diplomatieke verkeer dat hiermee gepaard gaat ook een schaduwzijde. Eerder waren er al de verhalen over ernstig achterstallig onderhoud van menig ambassadegebouw. Vaak gaat het om rijksmonumenten die gezichtsbepalend zijn, maar waarvan de houtrot en afbrokkelende gevels nu het Haagse straatbeeld ontsieren. Ook een terugkerende doorn in het oog: de tienduizenden euro’s aan openstaande parkeerboetes van buitenlandse diplomaten.

Luister ook naar de podcast: Hoe buitenlandse ambassades het Nederlandse arbeidsrecht schenden

Nu blijkt het op sommige ambassades ook bar slecht te zijn gesteld met de behandeling van lokaal ingehuurd personeel, zoals chauffeurs, beveiligers of administratieve medewerkers. Vorige week schreef NRC hoe de ambassades van Egypte, Saoedi-Arabië, Koeweit en Marokko weigeren Nederlandse werknemers die ten onrechte zijn ontslagen alsnog uit te betalen, of terug in dienst te nemen, ook als dit is bevolen door de Nederlandse rechter. Behalve dat dit van weinig respect getuigt voor de Nederlandse rechtsstaat, en veel zegt over de rechtsstatelijke opvattingen in die landen zelf, is dit vooral ook heel pijnlijk voor de oud-werknemers. Zij hebben gelijk gekregen van de rechter, maar lopen tienduizenden euro’s aan achterstallig loon of ontslagvergoedingen mis.

Net als bij de parkeerboetes en de ambassadekrotten kan als gevolg van de diplomatieke onschendbaarheid, zoals vastgelegd in het Verdrag van Wenen, weinig worden gedaan. Nederlandse gerechtelijke uitspraken kunnen niet worden uitgevoerd. Deurwaarders komen niet verder dan de stoep voor het ambassadeterrein. In de internationale stad van vrede en recht bestaan, kortom, enclaves van rechteloosheid. Het verbreken van diplomatieke banden is niet realistisch. Daarvoor zijn deze arbeidsconflicten, hoe ingrijpend ook voor de betrokkenen zelf, net te klein. Omdat er doorgaans wederkerigheid geldt in het internationale diplomatieke verkeer, zou het Nederlandse consulaire werk in die landen – een dissident bezoeken, in de problemen geraakt Nederlandse burgers bijstaan – ook flink worden bemoeilijkt.

Wegkijken dan maar? Nee. Nederland kan de diplomatieke druk best verhogen, door ambassadeurs of ministers uit desbetreffende landen aan te spreken op hun verantwoordelijkheid als werkgevers. Het kan ook meer doen om lokale ambassademedewerkers bewust te maken van de lastige arbeidsrechtelijke situatie waarin ze vanaf hun eerste werkdag zitten. En dan nog: het is duidelijk dat het recht in deze intens frustrerende kwestie niet snel zal zegevieren. Voor de slachtoffers in dit verhaal kan echter wel veel meer worden gedaan. GroenLinks en PvdA wezen vorige week de weg door te pleiten voor de oprichting van een waarborgfonds, waaruit gedupeerden compensatie zouden kunnen ontvangen.

Per individuele zaak gaat het doorgaans niet om enorm grote bedragen. Het zou chique zijn als de Nederlandse staat ex-werknemers die in het gelijk zijn gesteld door de rechter compenseert en hun vorderingen op zich neemt, en deze desnoods zelf probeert te verhalen op de desbetreffende diplomatieke missies. Dat Nederland de diplomatieke relaties niet op het spel wil zetten, is terecht, maar het kan niet zo zijn dat Nederlandse burgers hiervoor als het ware de rekening gepresenteerd krijgen.