Recensie

Recensie Theater

Zachtmoedige conflicten in ‘Broeden’ van Grof Geschud

Cabaret Net als in hun voor de Neerlands Hoop genomineerde debuut ‘Lijmen’ gaat ‘Broeden’ van het Vlaams-Nederlandse duo Grof Geschud over de liefde. In de liedjes zijn de twee op hun best.

Grof Geschud speelt ‘Broeden’.
Grof Geschud speelt ‘Broeden’. Foto Super Formosa

In de eerste scène van Broeden van het duo Grof Geschud (Lander Severins en Myrthe van Velden) klimt zij in een paalnest om een ei uit te broeden. Maar als ze haar partner vraagt om het even over te nemen, antwoordt hij dat het broeden vrouwenwerk is. Hij blijkt niet zo’n progressieve vogel als zij dacht.

Hun met kittige vogelwoordspelingen opgebouwde conflict is, stellen ze erna, het enige onderdeel van de voorstelling dat een relatie heeft met de titel. Uiteraard niet waar, want het conflict is ook een prelude. De twee waren een stel, maar zijn dat niet meer en in Broeden vertellen ze over hun knipperlichtrelatie de afgelopen jaren. Net als in hun voor de Neerlands Hoop genomineerde debuut Lijmen gaat Broeden over liefde.

Al die keren dat het aan en weer uit ging worden terug op het toneel gebracht. In hun spel laten Van Velden en Severins zien dat ze het metier beheersen. En ze etaleren in het elkaar dwarszitten, onderbreken, zinnen afmaken en weer verleiden hoe goed ze op elkaar zijn afgesteld.

Bemoeizieke ouders

Maar wat ze vergeten is om het conflict inhoudelijk interessant te maken. Het waarom van hun liefde en willen scheiden wordt niet ontleed. Er passeren alleen synoniemen van hetzelfde, niets verklarende ongemak: benauwenis, tijd voor jezelf nodig hebben, etc. Humoristisch of spannend zijn hun zachtmoedige botsingen nauwelijks en het helpt niet dat het cliché van bemoeizieke ouders een stevige rol heeft in de voorstelling. De grapjes zitten in korte terzijdes, trefzeker geplaatst, in de zorgvuldige regie van Minou Bosua en Janne Desmet.

Grof Geschud speelt ‘Broeden’. Foto Super Formosa

Het sterkst zijn de twee in hun liedjes, met name als haar harde Nederlands en zijn zachte Vlaams niet proberen samen te vloeien. Van Velden zingt solo mooi en aangrijpend op dramatische toon over haar verwarring: „Ik kan niet, ik wil niet, ik ga niet”. En Severins laat prachtig een geestig lied over de nieuwe vriend van Van Velden ontsporen in een woest en wild delirium van afgunst.

De scène op absurde wijze op de spits drijven, levert ook bij de telefonades met ouders nog een memorabel moment op. Daar tonen ze durf, zoals ze ook laten zien in de sterke slotscène, en dan komt hun talent tot zijn recht.