Opinie

Wantrouwen geldt niet de samenleving maar de politiek

Vertrouwenscijfers Een tijdelijke daling in het vertrouwen in de politiek maakt van Nederland nog geen ‘laagvertrouwensamenleving’, schrijven en .
Verkiezingen leiden vaak tot herstel van vertrouwen.
Verkiezingen leiden vaak tot herstel van vertrouwen. Foto Alexander Schippers/Hollandse Hoogte

Verandert Nederland in een ‘laagvertrouwensamenleving’? Dat is de suggestie van een recent onderzoeksrapport van twaalf collega’s aan de Erasmus Universiteit, de Haagse Hogeschool, de Universiteit Leiden, en de Vrije Universiteit (Kieskompas). Een samenleving waarin het vertrouwen laag is, is een bijzonder somber beeld. Het is een samenleving waarin mensen zich van elkaar afkeren. Waarin sociale interacties meer moeite kosten, waarin de bereidheid samen te werken voor gedeelde doelen verdwijnt en waarin corruptie welig tiert. Het raakt dus de structuur van de samenleving zelf, als een status quo waaruit het moeilijk ontkomen is. Dit angstbeeld resoneert in kranten, onder politici, op sociale media. Daarmee sluit het rapport aan bij een breedgedeeld gevoel van een samenleving in crisis.

Maar de conclusie dat Nederland verandert in zo’n laagvertrouwensamenleving klopt niet. Die grote woorden worden niet gestaafd door de analyse.

De Engelse term ‘low trust society’ komt (net als ‘high trust society’) uit de sociale wetenschap. Het onderzoeksrapport stelt dat Nederland nu „kenmerken van een laagvertrouwensamenleving heeft: een samenleving met een laag institutioneel vertrouwen en een voorzichtige afname van het vertrouwen in mensen in het algemeen”. Alleen al in dit korte citaat staan verschillende fouten.

Ten eerste is er een probleem met de timing van het onderzoek. Natuurlijk is het vertrouwen in de samenleving sinds april 2020 gedaald. In april 2020 was er een vertrouwenspiek zonder weerga, als reactie op de angst voor de coronapandemie. Dat het vertrouwen daarna fors is gedaald, mag geen verbazing wekken.

Zo’n daling zegt echter niets over de structuur van de samenleving. Het onderlinge vertrouwen tussen burgers is weliswaar (heel licht) gedaald sinds april 2020, maar te weinig om een overgang aan op te hangen van een ‘high trust’ naar een ‘low trust society’. Het onderlinge vertrouwen lag in 2021 ook niet lager dan vóór de coronacrisis, zo toont het Sociaal en Cultureel Planbureau.

Politieke instituties

Ten tweede klopt de bewering niet dat het vertrouwen in instituties in brede zin laag en dalende is. Ja, het vertrouwen in politieke instituties en autoriteiten is fors gedaald. De vergelijking met april 2020 is weliswaar niet zo handig, maar andere onderzoeken (over een langere tijdspanne) tonen dat het vertrouwen in de politiek momenteel inderdaad laag is.

Dat lage vertrouwen is echter typisch voor de politieke instituties. Nota bene het eigen onderzoeksrapport toont dat het vertrouwen in het RIVM, de GGD en de kranten veel hoger ligt, en niet substantieel gedaald is. Andere onderzoeken laten steevast zien dat de regering en het parlement fors minder worden vertrouwd dan de rechtspraak of de vakbonden.

Er is dus maar één domein waar het vertrouwen laag en fors gedaald is: de landelijke politiek. Daarmee wordt het bewijs voor een laagvertrouwensamenwerking wel heel zwak.

Tijdelijke dip

Ten derde zou het niet de eerste keer zijn dat een tijdelijke dip wordt verward met een structurele erosie. Er is veel nodig om de sociale structuur van een samenleving diepgaand te veranderen. Een flinke dip in het politieke vertrouwen komt wel vaker voor; in Nederland was het vertrouwen notoir laag onder kabinet-Balkenende II. Politiek vertrouwen dat daalt in reactie op politieke schandalen en maandenlang politiek gekissebis is geen teken van een maatschappelijke crisis, maar van monitorende burgers. Het vertrouwen herstelt zich als de politiek beter presteert.

De laagvertrouwensamenleving is een verkeerde diagnose, die het zicht belemmert op de werkelijke problemen die de vertrouwenscijfers blootleggen. Het wantrouwen dat er is, is niet zozeer geworteld in de samenleving, maar specifiek gericht op de politiek.

Burgers met weinig vertrouwen wijzen naar politici die geen uitweg weten te vinden uit zich opstapelende crises (corona, klimaat, wonen, vluchtelingen, energie, toeslagen), en vooral gericht lijken op zichzelf. Burgers missen politici die richting bieden in tijden van grote veranderingen, die vanuit een herkenbare visie de problemen van Nederland aanpakken. Deze klacht geldt vooral het demissionaire kabinet, maar is breder dan de regering alleen. ‘De politiek’ is voor velen één pot nat. Politiek wantrouwen raakt zelf gepolitiseerd langs partijpolitieke lijnen. Normaliter leiden verkiezingen tot een herstel van het vertrouwen. Maar nieuwe verkiezingen zijn nog ver weg.

Lees ook deze column: Wie zijn zorgen uit over ‘de polarisatie’, bedoelt eigenlijk radicalisering

Vertrouwen herstellen

Nu is veel politiek vertrouwen niet per se goed voor een democratie. Die is immers ook gebaat bij sceptische burgers die politici ter verantwoording roepen. Maar politiek vertrouwen is wel belangrijk voor de acceptatie van wetgeving. Juist in een tijd waarin meerdere crises zich opstapelen, bemoeilijkt het lage vertrouwen in de politiek daadkrachtig beleid. Dat kan de politiek zich niet veroorloven.

Het heeft weinig zin om een gebrek aan vertrouwen tijdelijk op te krikken met foefjes en imagomanagement, als de onderliggende problemen niet worden aangepakt. Het politiek vertrouwen zal zich herstellen als een nieuw kabinet maatschappelijke problemen te lijf gaat vanuit een herkenbare visie en zich daarop laat uitdagen door de Tweede Kamer. Op de lange termijn is vertrouwen in de politiek een gevolg van effectief beleid, van ondubbelzinnige communicatie, en vooral van eerlijke en rechtvaardige procedures richting burgers. Transparantie hoort daar ook bij, zodat (sceptische) burgers politieke autoriteiten ter verantwoording kunnen roepen. Dat is waar de veelbesproken nieuwe bestuurscultuur zich primair op moet richten.