Recensie

Recensie Muziek

Sensationele ‘Rheingold’ bij dirigent Kent Nagano

Klassieke muziek Hoe klonk Wagner in zijn eigen tijd? Lichter, leniger en luchtiger bleek zaterdag in een unieke uitvoering van Wagners opera ‘Das Rheingold’ op ‘authentieke’ instrumenten.

Dirigent Kent Nagano
Dirigent Kent Nagano Foto Eduardus Lee

Zelden maakte een uitvoering tevoren al zo nieuwsgiering als Wagners opera Das Rheingold op authentieke instrumenten, onder leiding van de ‘niet-authentieke’ operadirigent Kent Nagano.

Nederland leerde Wagners mythische operavierluik Der Ring des Nibelungen (waarvan Das Rheingold het eerste deel of in Wagner-lingo de Vorabend is) kennen door de legendarische opvoeringenreeks (1997-2020) bij De Nationale Opera. Dirigent daarvan, Hartmut Haenchen, stond overigens óók al voor een lucide Wagner-klank. Zijn registratie van de ‘Ring’ (op cd en dvd) was internationaal de eerste op basis van de Neue Wagner Ausgabe; al die uitvoeringen zijn op Spotify na te beluisteren.

Het Wagner-project van Nagano en barokorkest Concerto Köln zet met hulp van een vierkoppig muziekwetenschappelijk onderzoeksteam een forse stap verder. Hier gaat het niet alleen om de partituur, maar ook om het gedoseerd toepassen van declamatie in plaats van gezang, om de instrumentkeuze (darmsnaren, houten fluiten, paukenstokken, enz.) en de opstelling van de circa 90 musici van Concerto Köln en de mimiek van de zangers. De stemming is lager en het laat 19de-eeuwse instrumentarium klinkt sonoorder en intiemer, met minder gebruik van vibrato ook.

Darmsnaargebrom

Werd het de gehoopte sensatie? Volmondig ja, juist ook in de voor deze subtielere orkestklank gebouwde akoestiek van het Concertgebouw. Al tijdens de eerste noot lieten de acht contrabassen, in kwartetten aan weerszijden van het podium opgesteld, het door Wagner geschetste Rijnwater ondoorgrondelijker trillen dan ooit. En zo waren er in de voorbij vliegende 132 minuten muziek talloze momenten. Waar de Rijndochters de gnoom Alberich paaien, klonken de vioolzuchten van concertmeester Shunske Sato glibberig glijdend. Door snelle tempi verschoten leidmotieven van kleur; het hupse (‘Weia-Waga!’) Rijndochter-motief bijvoorbeeld, leek wel een fris kleuterliedje. Of het Ring-motief: in marstempo en met puntig ritme klonk het meer als een jingle dan als hypnotiserend harmonisch drijfzand.

Aan het einde van het eerste tafereel (daar waar, aldus Wagner, de „waternevel in zoete wolkjes oplost in het ochtendgloren”) klonk het orkest dan weer innig warm, en echt: het Reuzen-motief geselde nooit zó het trommelvlies. Voor zulke sensaties heb dan je graag wat onvermijdelijke, wankele (natuur-)blazersmomenten over.

Sprechgesang

De veertien zangers studeerden met hulp van de wetenschappers lang op hun partijen. Soms snapte je de gekozen uitbraken in spraakgesang; dan leken die logisch in de dramatische en orkestrale context. En soms riep de benadering vragen op, dan had je willen snappen welk wetenschappelijk inzicht die keuze onderbouwde.

De cast was overall uitstekend. Op de geweldige Wotan van bas Derek Welton viel hooguit af te dingen dat zijn stem (‘Abendlich strahlt der Sonne Auge’) voor een opperst oppergoddelijk patina nog wat jeugdig klinkt. Opvallend en ideaal was ook de Loge van Thomas Mohr: met messcherpe dictie de arglistigheid van zijn rol benadrukkend.

Aan het slot van Rheingold, waar Wagner alvast vooruitblikt naar deel twee van zijn operavierluik, daalde de enige teleurstelling in: de overige delen van deze fascinerende en unieke Ring zijn niet in Amsterdam te beluisteren; daarvoor moet je de komende drie seizoenen naar Keulen.