Wie maakte de knecht zwart?

Wekelijks stuit Karel Knip in de alledaagse werkelijkheid op raadsels en onbegrijpelijke verschijnselen.

Deze week: hoe het hulpje van de Sint zijn kleur kreeg.

Hoe kon toch het idee post vatten dat het de Amsterdamse onderwijzer Jan Schenkman was die in 1850 aan de persoon van Sint Nicolaas een zwarte knecht toevoegde, een knecht die later bekend zou worden als ‘Zwarte Piet’? Daar moeten we het nog eens over hebben voor het niet meer hoeft.

In november 1850 publiceerde de Amsterdamse boekhandelaar en uitgever G. Theod. Bom het vrolijke boekje Sint Nikolaas en zijn knecht. Het was een verzameling handgekleurde steendrukplaatjes tegenover zestien versjes die Schenkman voor de gelegenheid bij elkaar had gerijmd. Op de plaatjes, die onmiskenbaar achteraf zijn gemaakt, zien we Sint Nicolaas en een zwarte knecht op een stoomraderboot naar de kade varen, over de daken rijden, boek houden, winkels en scholen bezoeken, kinderen belonen en bestraffen en weer vertrekken. Per luchtballon.

Schenkman was al in ander verband populair geworden en ongetwijfeld heeft Bom hem tot het dichten van de versjes aangezet. Schenkman rijmde makkelijk. Een paar weken eerder had hij Sint Nicolaas in een eindeloos gedicht ook al van knecht en secretaris voorzien. Opmerkelijke initiatieven, want pedagogen en verlichte denkers hadden nu juist decennia lang alles in het werk gesteld om de Sinterklaasfiguur uit de kindercultuur te verwijderen. ‘Geloof die onzin toch niet! Het zijn je ouders die snoep in je schoentje stoppen.’

De Sinterklaas-revival was het idee geweest van de Amsterdamse onderwijzer George d’Ancona. Die liet hem al in 1840 een brief ‘aan Zijne Vriendjes en Vriendinnetjes’ schrijven en gaf hem in 1842 een heus kantoor. D’Ancona was in oktober 1850 overleden en Schenkman nam het concept dankbaar over.

Schenkmans versjes zijn lang zo origineel niet als vaak is beweerd. Je vindt er verwijzingen naar het ‘Zie, de maan schijnt’ (1843) van dokter J.P. Heije en naar het ‘Spanje’ (1849) van dichter P.A. de Génestet en dominee C. van Schaick en bovendien naar het kantoor van G.J. d’Ancona. Het idee om de Sint in een soort road movie te stoppen zag je al bij allerlei centsprenten en bij een Sinterklaasspel dat D’Ancona in 1848 uitbracht. Stoomboten waren in 1850 heel gewoon, Amsterdam had geregelde stoomvaartdiensten op Kampen, Lemmer, Bremen en Londen. Zelfs de luchtballon was niet meer zo bijzonder.

Rillen voor de luchtbal

Maar die zwarte knecht? Die heeft Schenkman nooit zwart bedoeld. Hij gaf de Sint een knecht, maar geen zwarte knecht. Er is maar één plaats in het boekje waar dat zwart ter sprake komt en dat is uitgerekend daar waar kinderen zich afvragen wie toch dat snoepgoed door de schoorsteen gooit. Het blijkt niet de Sint (want die staat ‘ginds’), maar: ‘’t is zijn knechtje, dat zwart is van kleur’. Let wel: op dat moment is de knecht al zeven keer genoemd zonder dat zijn voorkomen er kennelijk toe deed. De knecht is zwart van al die schoorstenen waar hij doorheen moet klauteren, zonder hem had de Sint zich zelf moeten bevuilen. In minstens drie gedichten die Schenkman rond 1850 debiteerde is de Sint voorzien van een knecht zónder dat diens kleur genoemd wordt. In de versjes van 1850 krijgt de knecht ook nergens een eigenschap die destijds als typisch voor een ‘neger’ of ‘Moor’ werd beschouwd. Hij lacht, sjouwt, zweet, luistert, gluurt en vult zakjes. En hij rilt als hij met de ‘luchtbal’ omhoog moet, wie had het niet gedaan?

Opmerkelijk detail: Sint en knecht lijken zó sympathiek dat de kinderen ze wel ‘een hand en een zoen’ willen geven. Alsof Hollandse kinderen in 1850 een Moor een zoen zouden geven. Nog iets: als Schenkman onder pseudoniem in 1855 een ruzie tussen ‘koekjesjood’ Izaak Schram en Sinterklaas beschrijft blijkt het ‘de snottige stinkende Sinther Klaas’ te zijn die zwart is.

De illustratie bij het versje ‘Handje Plak’ is in de stijl van het Sinterklaasboekje uit 1850. Uit: Het eerste prenteboek op moeders schoot van Jan Schenkman. (G. Theod. Bom, 1852) Graveur F.R. Prinz.

Wie bedacht dan de zwarte knecht? Als Bom het zelf geweest was had hij de zwartheid meer beklemtoond en was er in de krantenadvertenties meer drukte over gemaakt. Het moet de illustrator geweest zijn die bedacht: een ouwe heilige uit Spanje heeft natuurlijk een Spaanse bediende bij zich, een Moor. Zo begreep hij het bewuste zinnetje, het was een misverstand. Wie de tekenaar was weten we niet, maar dat hij nog eens wordt gevonden is niet uitgesloten. Zijn kenmerkende stijl – gebrekkig perspectief, verkeerde verhoudingen, houterige figuren en een karakteristieke drukke stoffering – is in andere boekjes terug te vinden. Ook de Moor van 1850 was al eerder afgebeeld. Dat Bom in zijn kinderboekjes afwisselend gebruikmaakte van steendruk en houtgravure is zowel een probleem (de stijl wordt moeilijker herkend) als een voordeel: de graveurs lieten vaak hun naam achter in hun handwerk (Fuchs, Prinz, Tollenaar, Kaiser, Van Arum). Misschien wijzen zij de weg.

Een zwarte bediende uit het ABC-boekje Wie kan het AB hier raden (G. Theod. Bom, 1848). Graveur F.C. Fuchs.

Wat we nu al weten is dat Bom geen bezwaar had tegen de zwartheid. Want steendrukplaatjes zijn, anders dan houtgravures, met wat inspanning goed te corrigeren. Sterker nog: in het boekje van 1850 is dat ook gebeurd, een vergeten staf is in een latere druk alsnog toegevoegd. Bom liet de zwartheid zitten en liet die bij het handmatig kleuren van de plaatjes zelfs aanzetten. De knecht werd diep donkerbruin geverfd. Goedbeschouwd is het dus Gerard Bom die ons met Zwarte Piet opzadelde.